Muiterseiland Pitcairn laat snelle soortvorming door isolatie zien

Onlangs vond in Londen een bijzondere wetenschappelijke bijeenkomst plaats van de Linnaean Society. Op de meeting werden de resultaten gepresenteerd van een expeditie naar een klein maar berucht eiland in de Stille Oceaan: Pitcairn Island. De flora en fauna op dit bijzonder geïsoleerd gelegen eiland vormen welkom studiemateriaal voor biogeografen, geïnteresseerd in de vraag hoe ecosystemen ontstaan op eilanden die slechts beperkt overzee kunnen worden gekoloniseerd.

Pitcairn Island is een vulkanische formatie met een oppervlakte van ongeveer 5 vierkante kilometer. Samen met drie kleinere buureilandjes (Henderson, Ducie en Oeno) ligt het middenin het zuidelijke gedeelte van de Stille Oceaan, op ongeveer 4500 kilometer van de kust van Zuid-Amerika en op 2170 kilometer ten zuidoosten van Tahiti. Het dichtst bijzijnde Polynesische eiland ligt op ongeveer 450 kilometer afstand. Pitcairn Island werd in 1767 ontdekt door de Britse zeeofficier Philip Carteret, maar is genoemd naar de matroos die het als eerste aan de horizon zag liggen. Het eiland rijst tot ongeveer 300 meter uit zee op en wordt omzoomd door steile kliffen en koraal.

Pitcairn Island is een begrip voor elke Brit die op school geschiedenis heeft gehad: het was de plek waar, in 1790, de muiters van de HMS Bounty aan land gingen en zich voor de Britse Admiraliteit verscholen. De HMS Bounty was in 1789 met een lading jonge broodbomen op weg van Tahiti naar de West Indies. Op 28 april zetten 26 muiters onder aanvoering van stuurman Christian Fletcher kapitein William Bligh en de overige 18 bemanningsleden in een reddingboot overboord, waarna ze koers zetten terug naar Tahiti.

Om de wraak van de Britse Admiraliteit te ontlopen voeren acht van de muiters in 1790, vergezeld van enige Tahitiaanse vrouwen en mannen, uit naar Pitcairn, waar ze landden, het schip verbrandden en een kolonie stichtten die pas in 1808 werd ontdekt. Onder de huidige bewoners van het eiland bevinden zich nog altijd nazaten van de muiters.

Ofschoon Pitcairn Island dus wordt bewoond, is het nog steeds een zeer aantrekkelijk studie-object voor biogeografen. Wegens de extreem geïsoleerde ligging kon het slechts zeer mondjesmaat door dieren en planten van elders worden gekoloniseerd. Het gevolg is dat de ecosystemen op Pitcairn Island uitblinken in eenvoud en eenzijdigheid. Doel van de Pitcainr Expeditie van de Linnaean Society was om deze ecosystemen in kaart te brengen en om te achterhalen op welke wijze ze zijn ontstaan.

De biota (flora plus fauna) van Pitcairn Island bevat zowel soorten die ook op andere eilanden in de Stille Oceaan voorkomen als endemische soorten (dat wil zeggen soorten uniek voor het eiland). De endemische soorten behoren vooral tot de groepen die zeer moeilijk over zee kunnen migreren, zoals landslakken, mijten en snuitkevers. Ze moeten in een geologisch betrekkelijk korte tijdsperiode zijn geëvolueerd, want de ouderdom van Pitcairn Island bedraagt slechts 450.000 tot 900.000 jaar. Soorten die zich gemakkelijker over water kunnen verplaatsen (zoals vissen, spinnen en zeeweekdieren) hadden niet de kans om op het eiland volslagen geïsoleerd te raken en unieke endemische soorten af te splitsen.

Sommige endemische soorten op de Pitcairn groep hebben geheel eigen aanpassingen ontwikkeld. De fruitduiven op Henderson bijvoorbeeld drinken niet, maar eten varenscheuten (met een waterinhoud van 94%) om hun waterbehoefte te dekken, een onder vogels mogelijk unieke gedragsadaptatie. Op Henderson is niet permament zoet water aanwezig, terwijl er maar weinig soorten vruchtbomen zijn die bovendien niet het hele jaar door vrucht geven.

De dieren en planten op Pitcairn zijn vermoedelijk elk op hun eigen wijze over de vele honderden tot duizenden kilometers oceaan op het eiland gearriveerd. Zo zijn er loopvogels waarvan de voorzaten vermoedelijk zelf naar het eiland zijn toegevlogen, insekten die waarschijnlijk zijn meegevoerd door de wind, en pissebedden en mijten die mogelijkerwijs zijn meegelift op drijfhout. Ook zijn er door de mens geïntroduceerde soorten: expres (kokosnoten) zowel als per ongeluk (ratten, door Polynesiërs).

Hoewel de Zuidamerikaanse kust in het oosten dichterbij is dan Nieuw-Guinea en Australië in het Westen, en de heersende winden en oceaanstromingen voornamelijk van oost naar west zijn, zijn de meeste kolonisten op de Pitcairngroep uit het westen afkomstig (uitzondering vormen enkele pissebedden, een vlieg en enkele duizendpootsoorten). Hetzelfde geldt voor de Polynesiërs zelf: op grond van DNA-onderzoek is vastgesteld dat ze niet uit het oosten maar vanuit het westen de eilandengroep hebben gekoloniseerd, in tegenstelling tot wat avonturier Thor Heyerdahl 30 jaar geleden in zijn boeken op grond van zijn reis met het zeilvlot de Kon-Tiki beweerde. De verklaring is vermoedelijk dat zich ten westen van Pitcairn een groot aantal eilanden bevinden die als kolonisatie-tussenstations of -springplanken kunnen hebben gediend. (Nature, 23 juni).