Laat geest van het natiebesef maar liever in de fles blijven

Paul Scheffer pleit op de opiniepagina van 8 juni onder meer voor een sterke democratische natiestaat als fundament van de Europese Unie. Europa, zo beweert hij, kan niet gebouwd worden op zwakke democratieën, waarmee hij tegelijk de uitbreiding van de Unie met de jonge Oosteuropese democratieën afwijst. Voor alle duidelijkheid: een zwakke democratie in de lidstaten is voor geen enkele democraat in Europa een aantrekkelijk perspectief. Als Scheffer dat bedoelt heeft hij daar groot gelijk in.

Ook zijn gedachte dat er geen overdracht van nationale bevoegdheden naar de Europese Unie moet zijn zonder een goede vorm van democratische controle door de lidstaten zelf of door het Europees Parlement, zal door weinigen in twijfel worden getrokken. De Unie heeft nu teveel weg van de nationale Westeuropese staat van enkele eeuwen geleden waarin de (nationale) ambtenarij de dienst uitmaakte. Montesquieu's leer van de trias politica mag dan bij de lidstaten van de Unie thans algemeen ingang hebben gevonden, op Europees niveau is sprake van een onthutsend gebrek aan belangstelling voor zijn leerstukken. Vandaar het beeld dat opdoemt van een vleugellam Europees parlement dat geen regering heeft om te controleren en geen volk om te vertegenwoordigen. Vandaar ook het zonderlinge bestaan - uit democratisch oogpunt - van instellingen als de Raad van Ministers en de Europese Raad, die in een onderonsje de nieuwe voorzitter van de Commissie aanwijst, niettegenstaande heroïsche pogingen van een voormalige gedoodverfde kandidaat; waarin een klein land klein kan blijven. Het veelbesproken 'democratisch gat' valt dan ook niet alleen te repareren met uitbreiding van de bevoegdheden van het Europees parlement. Voorlopig echter zal een dergelijke wijziging van de institutionele grondslagen van de Unie niet aan de orde zijn.

Scheffer schrijft: “Burgers die zich niet vertegenwoordigd voelen in hun eigen parlement zullen niet geneigd zijn om in de Europese Unie een wenkend perspectief te zien”. Kennelijk ziet hij over het hoofd dat de talrijke nationale minderheden in de Europese staten (Basken, Bretonnen en dergelijke maar nu vooral ook de minderheden in Oost-Europa) dit wel doen. En terecht: hun belangen worden op Europees niveau vaak beter verdedigd dan op nationaal niveau. Let wel: dit is geen pleidooi voor een vorm van Europees nationalisme of gevoel. Het Europese samenwerkings- en integratieproces is inderdaad geen schoolvoorbeeld van een democratisch proces. Maar misschien is integratie in combinatie met democratie ook niet mogelijk, althans vormt democratie een sterk vertragende factor. Zou wat minder democratie op Europees niveau aanvaardbaar zijn teneinde het samenwerkings- en integratieproces in het huidige institutionele kader op gang te houden? Volgens Scheffer zou de burger in dat geval zijn toevlucht nemen tot radicaal-ondemocratische politieke opvattingen.

Scheffers stelling dat dus de natie-staat versterkt moet worden, biedt daarvoor echter geen adequate oplossing en dient ook om een andere reden krachtig te worden bestreden. De natie-staat is verbonden met opvattingen over nationaal besef en nationale identiteit en dergelijke; begrippen die in het Europese verleden, en thans ook weer, niet de meest verlichte gedachten hebben voortgebracht. De huidige Europese staten (door Scheffer ten onrechte aangeduid als natie-staten) zijn een produkt van historische omstandigheden, waarin macht en toeval een grote rol hebben gespeeld. Met een beroep op het natiebesef is in deze en de vorige eeuw menige territoriale wijziging geforceerd. Veranderende grenzen vormen een van de vele grondpatronen in de Europese geschiedenis. Een beroep op versterking van de natie-staat zal dit patroon in stand houden.

Scheffers bewering dat de negatieve aspecten van het natiebesef door democratische controle geneutraliseerd moet worden, snijdt weinig hout. Waarom eerst de geest uit de fles halen en vervolgens weer proberen haar erin te krijgen? Beter kan deze fles in het geheel niet ontkurkt worden.