Feest met hasj en Havenzangers

UTRECHT, 30 JUNI. Gebroederlijk zitten Abdellah Ouazade, Mimoun El Bakkali en Han Rietveld naast elkaar op de voorste rij in de kleine, maar tot de nok toe gevulde coffeeshop Shabab, Marokkaans voor jeugd. De drie moeten bijna net zoveel zweten als de tweeëntwintig spelers op het hoog aan een muur bevestigde televisietoestel. Vooral Rietvelds hoofd is nat, want in tegenstelling tot de favorieten van zijn collega's bij de Utrechtse brandweer staat er voor Nederland “natuurlijk nog wat op het spel”.

Maar ach, wat heet favorieten. De twintiger Ouazade is sinds 1981 in Nederland. En na al die jaren is Oranje natuurlijk eveneens een favoriet geworden, ook omdat hij de Nederlandse elf beter kent dan de Marokkaanse. Het mooiste zou volgens hem daarom een gelijkspel zijn, “want dan kan iedereen tevreden zijn”. Dat vindt ook Rietveld (42), die voor het eerst van zijn leven in een Marokkaans etablissement is. “Nu er ook Marokkanen bij de brandweer zijn, moest het er natuurlijk een keer van komen”, zegt hij, zenuwachtig aan een zwaar shaggie trekkend. “In de kazerne hebben we onze warme maaltijden ook al aangepast, bijvoorbeeld door rundergehakt te gebruiken in plaats van half-om-half. Dit is een logische volgende stap. Zoiets versterkt de teamgeest.”

Eigenlijk valt de 'aankleding' van Shabab hem een beetje tegen. Hij knikt naar de honderden ballonnen aan het plafond. Ze zijn er in rood en groen, de kleuren van de Marokkaanse vlag, en in oranje. “Die oranje hadden ze van mij best weg mogen laten.” Maar de Marokkaanse eigenaar denkt daar anders over. Zijn coffeeshop wordt bezocht door alle nationaliteiten die in de multi-culturele Utrechtse wijk Lombok wonen, “dus ook door Nederlanders. Dan mag een beetje oranje tijdens het WK toch wel?”

Bij het eerste Nederlandse doelpunt springt Rietveld (“Je bent tenslotte toch een Nederlander”) van zijn stoel. Zijn collega's maken eerst een wegwerpgebaar (“Je blijft tenslotte toch een Marokkaan”), om vervolgens te applaudisseren. Als even later het rustsignaal klinkt, zoekt iedereen de frisse buitenlucht op. Op die ene jongen na die eerst nog even wat hasj aan de bar wil kopen.

Buiten loopt net de wijkagent voorbij. “Hoe komt het toch dat het zo lekker bij je ruikt”, roept hij naar de eigenaar. “Wil je soms ook een rokertje?”, klinkt de wedervraag onder geamuseerd gelach. De agent geeft een vette knipoog. “Nee, dank je. Ik ben net gestopt.”

Vanuit een straat tegenover de coffeeshop klinkt luide muziek. De Havenzangers en Ron Brandsteder kwelen een Oranje-medley. Door de nauwe straat lopen de families Koster en Abdelghani een polonaise. Op de stoep, voor hun naast elkaar gelegen kleine woningen, staat een kleurentelevisie. Met z'n allen volgen ze onder het genot van bier, frisdrank en snacks de wedstrijd tussen de beide landen.

De buren vinden het “niet meer dan normaal” dat ze samen naar het duel kijken. In de eerste plaats ben je tenslotte buren, dan pas Marokkaan of Nederlander, klinkt het bijna in koor. “En reken maar”, zegt de geheel in het oranje uitgedoste mevrouw Koster, “dat ook echt iedereen bij een doelpunt juicht. Wie er ook scoort.” Dat mag dan zo zijn, het kan niet verhelpen dat haar buurjongen er door de stand wat sip bijzit. Een familielid trekt hem van zijn stoel. “Hup, niet treuren. Hossen!”

Even later is de spanning in Shabab om te snijden. De stand in Orlando is 1-1, maar iedereen - Marokkaan én Nederlander - is het erover eens dat Marokko het beste van het spel heeft. Zoals ook het geval was in de verloren wedstrijden tegen België en Saoedi-Arabië. “Alleen hebben we steeds pech”, is een veel gehoorde opmerking aan Marokkaanse kant. Maar niemand die hoopt dat Marokko wint. “Want dan ligt Oranje er ook uit”, zegt Benissa Asbai, een vaste klant van Shabab “En dan hebben we helemaal niemand meer om achter te staan.”

Dat het zover niet komt, vinden Alleen een paar Marokkaanse jongens van een jaar of tien jammer. Na afloop van het duel dat ze thuis met hun ouders hebben bekeken, spelen ze in de buurt een potje voetbal op straat. Eerder op de dag hebben ze hun Nederlandse wijk- en leeftijdgenootjes “dik en dik ingemaakt, man”. “Maar ja, wie interesseert het nou dat wij wereldkampioen van Lombok zijn?”