De verlokkingen van het internationale congres; Wetenschap in korte broek

Op het wetenschappelijke congres, waar ook ter wereld, treffen geleerden van allerlei pluimage elkaar. Om te horen hoe het met hun 'data' staat, hun vooruitgang op het gebied van de wetenschap. Of gewoon om eens in een andere omgeving en in vrijetijdskleding met elkaar om te gaan?

Ter gelegenheid van het eerste nummer waarin deze zomer de Weekagenda en Wetenschap en Onderwijs samengaan: de achterkant van het internationale congres.

“Weet je waaraan ik dat biologenvolk herken?” De garderobedame van het Amsterdamse Congrescentrum RAI knikt zuinig naar de enorme stapel rugzakken achter zich. Al die onverzorgde pukkels en botaniseertrommels. Ze moet er niets van hebben. Als het aan haar lag, deed ze alleen nog maar medische congressen, want specialisten en dan vooral Italiaanse specialisten dragen overjassen van pure scheerwol. Zonder mottenballenlucht. “Ruikt een jas naar mottenballen, dan zit er hoogstwaarschijnlijk een Japanse delegatie in de zaal.”

Het is maandagochtend 20 juni. De openingsceremonie van het vierde Internationale Congres voor Plant Moleculaire Biologie is zojuist afgelopen. Terwijl het Amsterdam Harbour Choir voor de laatste keer 'Ik heb u lief mijn Nederland' jubelt, staan vier Amerikaanse professoren al in de rij voor de social programme desk. Ze kunnen het maar moeilijk eens worden over hun vrijetijdsbesteding.

“Als we vanavond Amsterdam by candlelight doen”, stelt een van hen voor, “dan gaan we morgenmiddag naar Het Loo.” Zijn collega, die vast zijn korte broek en teenslippers heeft aangetrokken, wil zo snel mogelijk naar het strand. “We zijn gisteren al naar die icebreakerparty geweest en morgen is de kroegentocht. Vanavond candlelight, dat trek ik niet. Ik moet woensdag nota bene een diapresentatie geven.”

Een paar meter verderop kijken twee jonge celbiologen van de Oekraïense Nationale Academie voor Wetenschappen verbaasd naar de groeiende rij. “Social programme? Dit is toch een congres?” vraagt Anna Zavgorodnyaya zich hardop af. Ze moeten deze week samen zien door te komen met 321 dollar. Slapen dus in de jeugdherberg van het Vondelpark en eten bij MacDonalds. Hun budget laat nauwelijks ruimte voor een rondvaart door de Amsterdamse grachten. Maar daar kwamen ze ook niet voor. Als ze volgend weekend terugvliegen naar Kiev willen ze alles weten van de morfologie van tomaten.Veertig procent van alle buitenlandse toeristen in Nederland heeft een zakelijke reden voor zijn bezoek. Meestal is dat een congres of een symposium, soms een handelstransactie. Volgens het Nederlands Research Instituut voor Recreatie en Toerisme leidde het congrestoerisme vorig jaar tot een omzet van zo'n 3,6 miljard gulden. Al is het aantal deelnemers aan wetenschappelijke congressen enigszins afgenomen, nog altijd besteden zo'n dertien miljoen congressisten 510 gulden per dag. Exclusief logies, maar wel grotendeels aftrekbaar.

Vraag je een echte congrestijger naar de motieven om zich dagenlang met elfduizend vakgenoten op te sluiten in een blockbusterhotel, dan zijn die in de eerste plaats van inhoudelijke aard. Of hij (zelden een zij) zich nu voor een neurologenconferentie of een communicatiesymposium inschrijft, de wetenschappelijke impact staat onherroepelijk voorop. Helaas zijn de onderzoeksgegevens meestal gedateerd, geeft hij eerlijk toe, maar dat kan ook niet anders want die abstractbundels worden minstens een half jaar van te voren gedrukt. En trouwens, wie zijn laatste bevindingen te vroeg presenteert, kan het patent verliezen.

Hoe massaler het congres - een mannetje of vijfduizend is eigenlijk de limiet - hoe minder informatief, zo weet de congressist uit ervaring. Al bevatten de postersessies altijd wel wat leuke facts & figures. Niet onderschatten hoor, net zomin als de lounge en de social programmes.

Roel Coutinho, hoofd van de afdeling volksgezondheid en milieu van de Amsterdamse GGD, bezoekt jaarlijks gemiddeld tien medische congressen, overal ter wereld. In principe alleen als hij zelf voor een lezing wordt uitgenodigd, want dat vindt hij leuk. “Congressen zijn prestige-gericht. Kennis en overdracht spelen een rol, maar het gaat ook om zien en gezien worden. Om de status. Wil je iets specifieks weten, dan kun je beter de vakliteratuur lezen. Je kunt je als lezer kritischer opstellen dan als luisteraar.

“De wetenschap is een markt geworden en als congresbezoeker moet je jezelf verkopen, extrovert en efficiënt. Het aidscongres is een circus, een gevecht tussen belangengroepen, media, wetenschap en industrie. Een verbijsterende ervaring. Erger nog zijn de snoepreizen, vermomd als farmaceutische congressen. Totaal zinloos. Ik word daar wel eens als aap uitgenodigd en dan is het uitkijken geblazen. Dat ik niet in die val trap, want ook ìk ben ijdel.”

Natuurlijk, er zijn uitwassen, meetings waarbij het plezier de inhoud overvleugelt. Een medisch directeur van een farmaceutisch bedrijf dat veel congressen sponsort, zelf een 'congrestijger', kent enkele deplorabele voorbeelden van verwenvakanties op de Bahama's en Haïti. Maar door de bank genomen heeft de hele congresbusiness een gezond en efficiënt imago. Zijn motto luidt dan ook: waar esperanto heeft gefaald, spreken congressen een mondiale taal.

Wat volgens hem de grote verdienste is van het congreswezen, zou je het serendipity-effect kunnen noemen. Het verschijnsel van de toevallige gelukstreffer met wetenschappelijke gevolgen. “Weg van huis en vrij van het dagelijkse, onkreukbare rollenpatroon ontstaat er tijdens zo'n ontmoeting plotseling een luwte waarin nieuwe ideeën kunnen gedijen. De arts laat zijn gereserveerde houding varen, de studeerkamergeleerde zijn publikatie-lijst en de fabrikant zijn winstoogmerk. Iedereen vindt de rust om andermans mening te beluisteren en de gebruikelijke angst voor elbow-rubbing wordt tijdelijk naar de achtergrond verdreven. Het congres is een katalysator, een creatieve noodzaak.

“Er heerst een soort campingsfeer. Rangen en standen vallen even weg. De grootste geesten verschijnen plotseling in archaïsche vakantiekleding aan het ontbijt. Gedateerde korte broeken, kniekousen en sandalen. Tijdens het reumacongres begin deze maand liet een befaamde reumatoloog zich in Istanbul door een buikdanseres tot een exotische tafeldans verleiden. Zo'n man durft uit zijn bol te gaan. Zelfs schuwe mensen durven zo'n beroemdheid dan te benaderen.”

De medisch directeur gelooft in het heil van het social programme. “Je kunt er badinerend over doen, maar als je in een vreemde stad bivakkeert, dan zit je heel wat rustiger naar de plenary lectures te luisteren na een standaard rondrit. Dan denk je tenminste niet voortdurend: 'ik moet sightseeën, ik moet sightseeën'. Het is jammer dat het ladiesprogramme dat vroeger Marietje uit de polder van de straat hield, onbetaalbaar is geworden. Mijn vrouw moet er tegenwoordig alleen op uit als ze me vergezelt.”

Over het Damrak lopen drie Britse biologen met de nylon congrestas op hun buik. Ze aarzelen bij elke souvenirshop en kijken schuchter om naar een versteende mime-speler met een gouden gezicht. Zodra ze een groep Franse afgevaardigden van het Plant Moleculaire Biologiecongres in het oog krijgen, beginnen ze joviaal te zwaaien. Samen lopen de delegaties in de richting van het Krasnapolsky hotel om een hapje te gaan eten. “Als je verantwoord wilt dineren moet je met de Fransen meegaan”, grapt een Brit.

Het verklaren van cultuurverschillen is een van de populairste tijdspasseringen van congresgangers. Allemaal schudden ze met het grootste gemak al of niet betrouwbare karakteristieken over hun buitenlandse collega's uit de mouw. Zo kun je Skandinaviërs tot diep in de nacht in hotelbars vinden, omdat alcohol overal goedkoper is dan in Denemarken, Zweden en Noorwegen.

Amerikaanse biologen dragen bij voorkeur shorts tijdens prestigieuze internationale meetings. Ze bellen de hele wereld over en nemen taxi's bij de vleet. Italiaanse medici schijnen zonder vrees en plein public hun onderzoeksresultaten bekend te maken, terwijl hun Amerikaanse ambtsgenoten zakelijke besprekingen angstvallig achter gesloten deuren voeren.

Chinese, Japanse en Franse academici spreken zo slecht Engels dat de zaal tijdens hun lezingen dikwijls leegloopt. Over het gedrag van de Japanners wordt in de wandelgangen nog het uitvoerigst gespeculeerd. Zij lijken ernaar te streven om tijdens een internationale conferentie volgens een nauwgezette strategie een maximum aan kennis op te nemen. De delegatie verzamelt zich een uur voor de aanvang van elke congresdag voor een briefing, zwermt vervolgens uit om tegen zonsondergang weer voor een debriefing samen te komen. Van elke dia en poster wordt een foto gemaakt. Japanse deelnemers bewegen zich voort in kuddes, gedragen zich uiterst beleefd en formeel en vormen zo ongeveer de enige uitzondering op de sfeer waarin het serendipity-effect kan gedijen, omdat ze zich nergens openhartig over uitlaten.

Artsen hebben de gewoonte tijdens congressen alleen de lezingen van hun landgenoten op te luisteren. Zodra ze zich met vertaalapparatuur moeten behelpen, nemen ze liever een middag vrij. De Italianen voorop. Die nemen elke gelegenheid te baat om in een belendende sportzaal een balletje te trappen.

Sakari Härö, topambtenaar van het Finse Ministerie van Volksgezondheid, typeert de Europese cultuurverschillen als volgt: “Tijdens een bijeenkomst trekken de Finnen graag op met de Britten. De Duitsers blijven als een blok bij elkaar, net als de Zuid- en Oosteuropeanen. Tijdens een bijeenkomst discussieer ik zelden met de Fransen - ik val bijna in slaap wanneer er Frans wordt gesproken.”

Het imago van de Nederlandse congresdeelnemers lijkt smetteloos. Ze staan in het professionele circuit te boek als punctueel, helder en informeel. Annemarie Grewel oordeelt minder positief over onze congresaard. Het Amsterdamse PvdA-gemeenteraadslid heeft zich in de vijfentwintig jaar dat ze wetenschappelijke en politieke congressen voorzit, juist altijd “groen en geel” geërgerd aan de air die de Nederlandse academici zich aanmeten. “Vooral de linkse rakkers zijn overwegend grauw en ijdel. Op galabals verschijnen ze in spijkerbroek en als ze een praatje moeten houden hebben ze ineens een driedelig kostuum aan. Ze gedragen zich vreemd en compenseren gebrek aan deskundigheid met een misplaatste arrogantie.”

Hoewel ze altijd heeft geloofd in het nut van congresseren, verbaast Annemarie Grewel zich nog steeds over het kinderlijke gedrag dat de deelnemers vertonen. “Er hangt een aanstellerig, ouwejongenskrentebrood sfeertje. Mannen slaan elkaar voortdurend op de schouders en steken ondertussen gepresenteerde sigaren en sigaretten in hun zak. En dat witte tornado-gedrag bij de stands is ook zo gênant. Als een sponsor tijdens een congres een aardig presentje voor de deelnemers heeft meegebracht, een pen of een plastic toneelkijker, dan is zijn voorraad in een mum van tijd volledig uitgeput.

“De heren zijn bijzonder gevoelig voor ceremonie. Je hoort ze allemaal roepen dat ze de opening, de receptie en het theater deze keer overslaan, maar ze komen altijd massaal opdraven. Die evenementen stralen een primitief soort status uit, net als het roken van een sigaar. Dat ze na afloop thuis kunnen zeggen: 'Prins Claus heeft nog het woord gevoerd'.

Zo'n zaal vol congressisten is net een lastige schoolklas”, zegt Grewel met een ironisch lachje. “Ze kijken hoe ver ze met je kunnen gaan en doen vervolgens voorstellen tot orde. Ik moet als dagvoorzitter zorgen dat ze licht gespannen zijn. Dat ze vooral niet inzakken. Om dat effect te bereiken moet je voor demagoog spelen en die rol ligt me wel.”Donderdagochtend 11.00 uur. Het auditorium van de RAI zit halfvol onderuitgezakte biologen. Op het diascherm is een gigantische halve tomaat geprojecteerd. De Britse professor die er naast staat, doet zijn best met verve een specifiek tomatengen te karakteriseren. Zijn enthousiasme blijft echter steken in formules en lastige Latijnse namen als Cladosporium fulvum en Rhynchosporium Secalis.

Halverwege de voordracht verlaten de twee Oekraïnse deelnemers overhaast de zaal. Ze doorkruisen de lounge. Was dit niet precies het soort lezing waarvoor ze naar het plantmoneculaire congres waren gekomen? Waarom vertrekken de celbiologen dan zo plotseling? “Iemand heeft mij een samenvatting van deze voordracht gegeven”, fluistert Anna Zavgorodnyaya opgewonden. “Nu gaan we proberen alsnog kaartjes voor de Congress in Concert Party van vanavond te bemachtigen.”Nederlands Congresbureau, Rivierstaete Building, Amsteldijk 166, 1079 LH Amsterdam 020 6462580.

Kader: Doen ze het of doen ze het niet?

In het rapport 'Kennis van Zalen, de markt voor externe bijeenkomsten' van het Nederlands Research Instituut voor Recreatie en Toerisme uit 1992 wordt tot in detail voorgerekend waaraan congresgangers hun reisbudget opmaken. Op de rijkgeschakeerde balans ontbreekt natuurlijk de categorie sextoerisme. Hoeveel gebruik maken de deelnemers eigenlijk van de betaalde liefde? “Nauwelijks”, zegt een directeur van een farmaceutische bedrijf dat menig medisch congres sponsort.

“Omdat bordeelbezoek een verwoestende werking kan hebben op gevestigde reputaties, doen professionele congresorganisatoren er alles aan om deelnemers uit de buurt van nachtclubs te houden. Hoe minder spraakmakende escapades, hoe minder schade hun glazen huisje lijdt. Dikwijls dringen organisatoren er zelfs op aan dat congressisten hun partner op eigen kosten meebrengen. Daarmee voorkom je schuldgevoel en het is goed voor de workspirit.”

De Amsterdamse travelservice-chauffeur Paul Siegers merkt in de praktijk weinig van dat nieuwe puritanisme. Als er een congres van enige omvang in de RAI is, stijgt het aantal ritten naar de stedelijke hoerenbuurten onmiddellijk. “Tussen zeven en tien uur 's avonds pendel ik dan voortdurend tussen RAI, de volksbuurtclubs op de Wallen en de betere clubs. Specialisten kunnen zich een Yab Yum-behandeling (vanaf vijfhonderd tot tienduizend gulden) veroorloven, maar de gemiddelde academicus moet genoegen nemen met tweede-garnituurhuizen als Golden Key en Safe Sence. Zuidelijke types gaan direct op hun doel af, terwijl Amerikanen eerst nog wat bleu rondslenteren. Voor iedere klant ontvang ik provisie en cadeautjes.”

Een rondje langs andere Amsterdamse taxichauffeurs bevestigt Siegers' verhaal. Ver van huis, zo luidt de communis opinio, geven congresgangers zich makkelijk over aan een erotische prikkel. Theo Heuft, eigenaar van Yab Yum heeft nog nooit enige terughoudendheid bespeurd bij de pco's. Integendeel. “Waarom zoeken ze anders de meest mondaine congresoorden uit op een steenworp afstand van the most luxurious club in the world?”