Collaborateurs wekken angst in joodse wijk

TEL AVIV, 30 JUNI. “Ik wil gedood worden. Ik wil moorden. Mijn leven is kapot.” Mohammed, een Palestijnse collaborateur, krimpt in elkaar. Plotseling slaat hij zich met beide handen in het gezicht. Hij trapt met zijn voeten. Huilend staat hij op en strompelt naar een kraan. Met een nat gezicht klaagt hij: “Ik vrees voor het lot van mijn ouders in Gaza, voor mijn broers en zusters. Ik ben bang dat [de moslim-fundamentalistische organisatie] Hamas hen tot de dood zal achtervolgen omdat ik met de Israelische binnenlandse veiligheidsdienst Shin-Bet heb samengewerkt.”

Mohammed - zijn echte naam weigert hij te geven - woont met zeventig andere Palestijnse collaborateurs en hun gezinnen enkele maanden in het achter het centrale busstation in Tel Aviv gelegen Shapira-kwartier. Het is een bouwvallige buurt, waar Russische immigranten, zwarten, Thais en andere buitenlanders die in Israel werken, wonen temidden van een zenuwachtige joodse bevolking.

De zenuwen van de joodse bewoners zijn gespannen sinds de 30-jarige David Mishali vorige week in de hoofdstraat van het Shapira-kwartier werd vermoord. De Palestijnse collaborateur Sa'adi Khalil Mahmoud wordt van de moord verdacht. De geel geverfde ijzeren voordeur van de Palestijn blijft gesloten. “Hij is spoorloos verdwenen”, zegt Mimi Askenazi, een joodse bewoonster vlak bij de plaats van het misdrijf. “Natuurlijk heeft hij David om zeep gebracht. Het vermoorden van joden is het beproefde recept voor iedere collaborateur om in de rangen van Hamas te worden opgenomen. Joods bloed rehabiliteert. Daarom ben ik doodsbang. Er zijn zoveel collaborateurs om ons heen. 's Avonds zitten ze op de stoep voor mijn huis. Waarom zouden zij mijn zoon van 14 jaar niet vermoorden?”

Mimi heeft met andere verontruste buurtbewoners voor vanavond een demonstratie georganiseerd om het ministerie van defensie te bewegen de collaborateurs uit de buurt weg te halen. “Waarom moeten ze uitgerekend in onze buurt worden gehuisvest? Waarom niet in het noorden van Tel Aviv, Neve Avivim of Ramat Hasharon, de sjieke buurten? De collaborateurs worden bij ons gedumpt alsof we de beerput van Israel zijn, neem me niet kwalijk voor de uitdrukking.”

De angst onder de joodse bewoners van de buurt is des te groter omdat nogal veel Palestijnse collaborateurs pistolen hebben. Mimi hoort 's nachts veel schoten. “Ze oefenen zeker of zoiets.” De angst is zelfs overgeslagen in een psychose toen deze week de staats-televisie een gesprek met een collaborateur uitzond waarin deze aankondigde dat “er gemoord zal worden” omdat de collaborateurs niet die steun van Israel krijgen waarop ze recht menen te hebben voor hun bewezen diensten. Op het tv-scherm verscheen alleen het grote donkere bruine oog van deze Palestijn en een stukje van zijn bebaarde gezicht.

In zijn woede en frustratie zegt ook Mohammed, die ik ontmoette in de woning van een Israelische Arabier in het Shapira-kwartier, dat collaborateurs in “grote nood verkeren”. “Ja, ik heb een woning gekregen, maar hoe kan ik in hemelsnaam van 600 shekel (352 gulden) per maand rondkomen? Ik heb geen geld om naar de tandarts te gaan. Heb je soms pijnstillers? Ik kan niet slapen van de pijn. Ik moet wel stelen om in leven te blijven.”

Dan verliest hij zijn zelfbeheersing. Wanneer hij weer tot rust is gekomen, vertelt Mohammed dat hij een “grote Al-Fatah terrorist” in de Gazastrook was voordat hij in de netten van de Shin-Bet verstrikt raakte. Dat gebeurde toen hij naar zijn zeggen twee jaar geleden door Israelische soldaten werd gearresteerd en tijdens de ondervragingen door agenten van de Shin-Bet werd gemarteld. “Ze staken de punt van een potlood in mijn penis, ze lieten me op een fles zitten, ik werd tijdens zware regens naakt op de binnenplaats van de gevangenis geplaatst en dan moest ik een groot stuk zeep op mijn hoofd opmaken. Ze stopten me in een piepkleine kamer waar ik me nauwelijks kon bewegen.” Na deze beproevingen werd hij door een militaire rechtbank tot 25 jaar gevangenisstraf veroordeeld. Of je brengt 25 jaar in de gevangenis door, of je gaat voor ons werken en je bent een vrij man, zeiden de Shin-Bet agenten. “Ik wilde niet in de gevangenis. Daarom werd ik collaborateur”, legt Mohammed uit. “Ik gaf mijn vrienden aan, verstrekte inlichtingen over stenengooiers en alles wat voor de Shin-Bet van belang was. Maar ik heb nooit meegedaan aan militaire acties.” Mohammed zegt dat de Palestijnen in Gaza onmiddellijk na zijn vrijlating wisten dat hij als collaborateur uit de Israelische militaire gevangenis was gekomen. “Hoe kom je er anders uit als je eerst 25 jaar hebt gekregen?” Kort voor de overdracht van de Gazastrook aan de Palestijnse autonomie nam hij afscheid van zijn familie en werd hij door de Shin-Bet in de Shapira-buurt ondergebracht. “Ik kan nooit meer naar huis. Als ik het doe snijden ze mij de keel af.” Mohammed weet waar hij het over heeft, omdat hij naar zijn zeggen uit handen van Hamas is ontsnapt. “Tijdens ondervragingen door Hamas hebben ze mijn rug kapot geslagen en heb ik mijn kiezen verloren”. Hij opent zijn mond en toont het gat in zijn kaak dat ook zijn kiespijn moet verklaren.

Op de vraag wat hij van PLO-leider Yasser Arafat denkt en van de Palestijnse autonomie antwoordt Mohammed: “Arafat is een goede jongen. Maar ook hij is een collaborateur. Anders zou hij dat verdrag met Israel niet hebben getekend.”

De duisternis is ingevallen. De straten in het Shapira-kwartier zijn vrijwel verlaten. Enkele zwarten komen kennelijk van hun werk terug. De collaborateurs zitten achter gesloten deuren en ramen in hun woningen voor de tv. “Als Hamas joden in Tel Aviv kan doden waarom zouden ze mij hier niet kunnen vinden”, zei Mohammed bij het afscheid.

Het ministerie van defensie heeft inmiddels een speciaal lichaam in het leven geroepen om de problematiek van de collaborateurs aan te pakken. Aan het hoofd ervan staat het ex-hoofd van de militaire inlichtingendienst, reserve-generaal Shlomo Gazit. Premier Yitzhak Rabin heeft gezegd dat er voor de rehabilitatie van de collaborateurs “een groot fonds is gesticht”. Bovendien hebben ze volgens hem recht op een Israelische identiteitskaart.

Dat is geen troost voor de joden in de Shapira-buurt die bang zijn met hun leven de prijs voor terugkeer van deze Palestijnen naar hun eigen maatschappij te moeten betalen. Want ook Mimi Askenazi weet dat Mohammed en de andere collaborateurs niet uit liefde voor Israel de Shin-Bet in de strijd tegen de intifadah van dienst zijn geweest.