Brazilië zoekt welvaart met 7 munten in 10 jaar

Op 1 juli voert Brazilië de real in, de zevende nieuwe munt in tien jaar. Met de munt die aan de dollar is gekoppeld, hoopt oud-minister van financiën Fernando Henrique Cardoso de Braziliaanse economie te hervormen. De aanpak lijkt een kopie van de Argentijnse, maar of het in Brazilië ook lukt, is onzeker.

De Argentijnen die in Rio de Janeiro of Bahia komen genieten van hun koopkracht, heten in Brazilië spottend os da-me dois - vrij vertaald: 'geef-er-maar-twee-van-alles'. Omgekeerd noemen zij de Brazilianen die in Argentinië op een bouwsteiger staan of suikerriet snijden macacos: apen. Liever geen hand geven. Want het is algemeen bekend dat de meestal zwarte gastarbeiders in het keurige, overwegend blanke Argentinië het aids-virus verspreiden.

De grootste buren van Latijns Amerika hebben vanouds niet veel met elkaar op. Maar de economische kloof is binnenkort dicht. Tenminste, als het drastische stabilisatieplan van Fernando Henrique Cardoso, oud-minister van financiën en sinds kort presidentskandidaat, oplevert wat hij Brazilië belooft: een eind aan de gierende inflatie en vertrouwen in de financiële huishouding.

Daartoe voert Brazilië op 1 juli een nieuwe munt in, de real. Die is gekoppeld aan de dollar - naar Argentijns voorbeeld, al zullen weinig Brazilianen dat toegeven - en de koers wordt onder meer stabiel gehouden met interventies waarvoor een fonds van tien miljard dollar beschikbaar is. In Argentinië schommelt de inflatie dankzij de schokbestendige peso (met een wettelijk vastgelegde waarde van één dollar) nu rond de twintig procent per jaar. Dat is naar Latijns-Amerikaanse normen laag.

In de periode na 1 juli moet de Braziliaanse overheid discipline tonen: leven volgens de door Cardoso opgestelde, sluitende begroting. En ook moet zij nu eindelijk haast maken met de privatisering van staatsbedrijven en de opening van de economie voor buitenlands kapitaal. Ook hierin ging Argentinië met succes voor.

Dat Brazilië een kuur nodig heeft, is wel duidelijk. De inflatie bedroeg in de afgelopen maand 44 procent (2.600 procent in 1993). Argeloze toeristen herkent men dan ook hieraan dat zij al hun dollarcheques op de eerste dag omzetten in lokaal bankpapier. De Brazilianen zelf hebben min of meer leren leven met de prijzentombola. Maar het blijft onaantrekkelijk investeren en zakendoen in de voortdurende onzekerheid over de vraag wat het geld morgen nu weer eens waard zal zijn.

Brazilianen met lage en middelmatige inkomens - de talrijkste groep in de samenleving - kunnen zich traditioneel het minst goed beschermen tegen de geldontwaarding. Wil men van hen ooit 'moderne consumenten' maken, redeneren de hervormers, dan heeft beteugeling van de inflatie prioriteit.

Het real-plan heeft tijd nodig. Maar het is de vraag of het die krijgt. Het zakenleven maakt zich zorgen over nare gevolgen van de introductie. Eén daarvan is de afkondiging van een hoge rente per 1 juli. Daarmee wil de regering de geloofwaardigheid van de real versterken om te voorkomen dat men zijn geld snel op het droge brengt, bijvoorbeeld door er goud van te kopen, of echte dollars.

Een ander nadelig effect is dat de vaste koppeling van de real aan de dollar Braziliaanse produkten in het buitenland na verloop van tijd relatief duur kan maken. Dat geeft exportverliezen. De kwestie leidde onlangs zelfs tot een pijnlijke aanvaring tussen president Itamar Franco - die een voorstander is van een lage rente na 1 juli - en de economische specialisten binnen zijn eigen regering.

Grote reddingsplannen zijn niets nieuws in Brazilië. De afgelopen vijf jaar stierven er evenzovele een stille dood. Ook het real-plan is geen wondermiddel. Niemand twijfelt eraan dat de inflatie aanvankelijk zal dalen, waarschijnlijk tot vijf procent of minder per maand. Maar als het Braziliaanse parlement weigert om tevens de bijbehorende sociaal-economische hervormingen uit te voeren, is ook dit plan ten dode opgeschreven. Felle oppositie is de komende maanden te verwachten van de linkse Arbeiderspartij (PT) van de charismatische Luiz Inácio 'Lula' da Silva, die volgens de laatste peilingen een goede kans maakt de presidentsverkiezingen van 3 oktober te winnen.

Presidentskandiaat 'Lula' heeft dus allereerst een direct belang om zijn tegenstander 'FHC' met zijn plan te zien uitglijden; dat vergroot immers zijn eigen kansen in de race om het presidentschap. Daarnaast is zijn Arbeiderspartij samen met andere linkse partijen om meer algemeen-ideologische motieven tegen privatisering en deregulering. Zij vinden dat de staat zo min mogelijk Brazilianen moet ontslaan en dat het bedrijfsleven aan de leiband moet lopen.

Voor de eerste fase van zijn plan - invoering van de real op 1 juli - kreeg 'FHC', toen nog minister van financiën, pas na een uitputtingsslag van een half jaar toestemming van het parlement. De linkervleugel ging uiteindelijk om na zijn televisie-rede op de dag voor de stemming, begin maart, waarin hij handig inspeelde op de maatschappelijke weerzin tegen de corruptie in de politiek. En dan nog alleen nadat hij de oppositie had gelijmd met een fonds van twaalf miljard dollar om de sociale fall-out van het plan te compenseren.

De tweede fase, meer privatiseringen en deregulering, zal alleen nog maar lastiger worden, omdat het parlement dan de grondwet moet veranderen. Het linkse blok heeft tot nu toe weten te voorkomen dat er zelfs maar over werd gedebatteerd.

Daarbij komt dat ook talloze zogenaamde medestanders van 'FHC' tegen een grondwetswijziging zijn. Niet alleen omdat privatisering van de spoorwegen en de staatsoliemaatschappij in Brazilië, anders dan in Argentinië, de nationale trots te hard zouden kwetsen. Maar in Brazilië, waar onthullingen over corrupte banden tussen de politici, de overheid en het bedrijfsleven aan de orde van de dag zijn, staan ook hogere belangen op het spel.

Aan de horizon doemt, kortom, zwaar weer op voor Cardoso, maar misschien is hij juist vóór de bui binnen. Hij gokt er op dat zijn populariteit omgekeerd evenredig stijgt met de verwachte inflatiedaling. En al duurt die misschien maar een paar maanden, dan kan dat genoeg zijn om hem het presidentschap te bezorgen.

Wat zijn de kansen voor de real? Baadt het niet, het schaadt ook niet, zeggen veel economen. Ook zònder de nieuwe munt gaat het immers al een stuk beter dan vroeger. Vooral sinds het presidentschap van Fernando Collor de Mello (1989-1992), die een aarzelend begin maakte met hervormingen, is de economie sterk gegroeid en de internationale concurrentiepositie sterk verbeterd.

Anderen zijn pessimistischer. Al ligt dat minder aan de real, dan aan het economisch tij. Het optimisme over de Latijns-Amerikaanse economieën neemt immers af. Na de 'schuldencrisis' van 1982, en het zogeheten lost decade dat erop volgde, groeien die economiën weliswaar nog steeds, maar nauwelijks genoeg om gelijke tred te houden met de bevolkingstoename. De exporten stijgen, maar de handelsbalansen van veel economieën hellen zwaar over naar de stijgende importen (vooral van vluchtig consumptiegoed). Een gevolg van de gesloopte tariefmuren.

Door privatisering en deregulering hebben veel landen zich bovendien sterk afhankelijk gemaakt van buitenlandse investeringen en terugkerend vluchtkapitaal. Zodra deze geldstroom hapert, zoals in Mexico begin dit jaar, blijkt hoe kwetsbaar zij zijn.

En ook de buitenlandse schulden stijgen weer zorgwekkend. Brazilië is met circa 122 miljard dollar nog steeds recordhouder buitenlandse schuld. Argentinië staat met ruim 67 miljard op een zevende plaats op de wereldranglijst. Maar omgerekend per hoofd van de bevolking (154 respectievelijk 33 miljoen mensen) is de Argentijn bijna drie keer zoveel schuldig als de gemiddelde Braziliaan (2.300 respectievelijk 790 dollar).

Beide landen hebben die schuld door het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en commerciële banken in de laatste jaren opnieuw laten financiëren, maar alleen al om de rente te betalen zouden zij respectievelijk 20 en 22 procent van hun exportwinst opzij moeten zetten. Dat ligt onder het percentage van tien jaar geleden, maar riant boven de tien procent die economen nog als veilig hanteren.

Ondanks zijn optimistische erupties heeft juist de Argentijnse president Carlos Menem ontdekt dat de bomen niet langer tot in de hemel groeien. Het tekort op zijn handelsbalans stijgt, niet in de laatste plaats door de felle concurrentie binnen de Mercosur, de vrijhandelsmarkt tussen Brazilië, Argentinië, Uruguay en Paraguay. Hij heeft inmiddels gezinspeeld op een verhoging van de importtarieven, terwijl de Mercosur-landen die juist geleidelijk moeten laten verdwijnen.

Intussen neemt in Argentinië de sociale onrust toe. Door massale ontslagen - vooral onder ambtenaren en in de staatsbedrijven en door stijgende prijzen voor elementaire levensbehoeften. In enkele plattelandsprovincies, waar Buenos Aires de begrotingen strak aan de teugel houdt, is het al gekomen tot bloedige volksopstanden. Dat is voor Brazilië geen prettig vooruitzicht.

Menem houdt van paardemiddelen. Brazilië wilde altijd liever een zachte heelmeester zijn. Het is daarom niet ondenkbaar dat de real de zoveelste nieuwe munt zal zijn. In de laatste tien jaar gingen de cruzeiro, de cruzeiro novo, de cruzado, de novo cruzado, opnieuw de cruzeiro en de cruzeiro real haar vooraf. Buitenlandse ondernemingen in Brazilië krijgen in elk geval reeds het advies om zoveel mogelijk zaken te blijven doen in dollars en, als dat niet mogelijk is, zich in hun contracten tegen een devaluatie in te dekken.

Sinds een week is in Brazilië een stroom van zwaarbewaakte geldtransporten op gang gekomen die 35.000 banken van anderhalf miljard knispernieuwe biljetten moeten voorzien. Maar de leistenen bordjes waarop kroegbazen 's ochtends de prijs van een glaasje cafezinho krijten en 's middags de nieuwe prijs, en niet zelden 's avonds de allernieuwste prijs, zullen nog wel even blijven hangen.