Bach in spiegelpaleis van de muziekhistorie

Concert: Schönberg Ensemble en Nederlands Kamerkoor m.m.v. kinderkoor Geert Grote School o.l.v. Frans Brüggen. Programma: werken van Bach/Stravinsky, Bach, Bach/Schnebel en Knaifel. Concert: Radio Kamerorkest en Gesualdo Consort m.m.v. Harry van der Kamp (bas) en Paul Agnew (tenor) o.l.v. Frans Brüggen. Programma: werken van Stravinsky, Gesualdo, Rameau en Schütz. Gehoord: 28 en 29/6, Oude Kerk, Amsterdam.

Tijdens de laatste twee concerten in het Holland Festival kwam opnieuw het festivalthema 'bewerkingen' aan de orde. Het thema cirkelt rond vragen als: bestaat er zoiets als een 'echte' Bach, Gesualdo of Rameau? Heeft een uitvoering niet per definitie het karakter van een bewerking? Mag een componist zich het notenmateriaal van een ander toeëigenen om er een nieuwe compositie uit te scheppen?

De concerten onder leiding van Frans Brüggen, die dinsdagavond in de Amsterdamse Oude Kerk het Schönberg Ensemble en het Nederlands Kamerkoor dirigeerde en gisteravond het Radio Kamerorkest en het Gesualdo Consort, deden denken aan een muziekhistorisch spiegelpaleis. Zo was er de samenwerking tussen Brüggen, specialist op het terrein van de achttiende-eeuwse uitvoeringspraktijk en het Schönberg Ensemble dat zich richt op repertoire uit de twintigste eeuw. Het was een merkwaardige ervaring de musici van het ensemble samen met het Nederlands Kamerkoor een keurig stijlgetrouwe uitvoering te horen geven van Bachs Magnificat resulterend in het voor Brüggen kenmerkende uitgebeende klankbeeld.

Deze 'echte' Bach klonk overigens beter dan de bewerking die Stravinsky maakte van diens Choral-Variationen über das Weihnachtslied 'Vom Himmel hoch da komm' ich her'. De subtiliteiten in de instrumentatie verdwenen goeddeels in de gulle akoestiek van de Oude Kerk. Net als Stravinsky wijzigde Dietrich Schnebel in zijn verrassende versie van Contrapunctus I uit Die Kunst der Fuge uit 1973 geen noot aan het origineel, maar sleutelde hij aan de manier waarop ze tot klinken komen. De leden van het Nederlands Kamerkoor waren verspreid tussen het publiek gaan zitten en zongen individueel fragmenten uit het polyfone lijnenspel. Omdat het niet meevalt zuiver in te zetten zonder steun van het collectief, kreeg het ruimtelijke web van klanken een mooi soort broosheid.

De Russische componist Aleksandr Knaifel ging in Jestjò raz k gipoteze (Nogmaals terug naar de hypothese), opgedragen aan het Schönberg Ensemble, een esoterische dialoog aan met Bachs Preludium en Fuga in bes kl.t. uit Das wohltemperierte Klavier. Knaifel liet de noten voortdurend heel zacht en heel langzaam klinken, aanvankelijk door een combinatie van toetseninstrumenten en elektronica, daarna door een kinderkoor en instrumenten die in uithoeken van de kerk stonden opgesteld. Uit luidsprekers klonk stromend water en tenslotte een raadselachtige donkere zoemtoon. Knaifels residu van Bach deed denken aan de laatste druppels van een brede rivier die eeuwenlang is weggesijpeld door dikke kleilagen.

Bij het tweede concert school de kracht minder in de uitvoeringen dan in het vindingrijke programma; de onderdelen voor de pauze spiegelden die erna. Behalve in de Suite uit Abaris ou Les Boréades van Rameau - een fractie minder spits dan de Brüggens eerdere uitvoering met het Orkest van de Achttiende Eeuw - en het aangrijpende solomotet Fili mi, Absalon van Heinrich Schütz, had Stravinsky in alle composities een aandeel. Als voltooier in de door het Gesualdo Consort stemmig gezongen Tres sacrae cantiones van Gesualdo, als bewerker van drie Gesualdo-madrigalen in Monumentum pro Gesualdo di Venosa ad CD annum en als componist met een goed ontwikkeld stijlhistorisch bewustzijn in Apollon musagète voor strijkers, dat onder Brüggen vibratoloos werd gespeeld en daardoor geen seconde neigde naar valse behaaglijkheid.