'Veel reden voor pessimisme' in Jemen

Bijna acht weken is het nu oorlog in Jemen, en er is geen enkele reden om aan te nemen dat er een oplossing in zicht is. Het conservatieve noorden probeert het van de slechts vier jaar oude eenheidsstaat afgescheiden zuiden met zwaar geweld tot de orde te roepen, maar de socialistische zuiderlingen graven zich slechts dieper in. De Britse VN-ambassadeur Sir David Hannay stelde vorige week: “Iedereen die optimisme toont in het licht van wat op het ogenblik in Jemen gebeurt, heeft behoefte aan een kleine correctie aan zijn werkelijkheidszin. Ik denk dat er aanzienlijke reden is voor pessimisme. De toestand op de grond verslechtert gestaag.”

Kilometer na kilometer dringen noordelijke legereenheden, de zogeheten 'krachten van de eenheid', op naar het zuidelijke bolwerk Aden. Sinds hun aanvankelijke bliksemoffensief door de taaie zuidelijke verdediging werd vertraagd, lijken zij de stad tot overgave te willen terroriseren. De havenstad, waar inclusief vluchtelingen nu een half miljoen mensen leven, ligt al wekenlang binnen het bereik van hun artillerie en raketten. Militaire installaties en woonwijken worden naar willekeur beschoten. Onafhankelijke waarnemers hebben inmiddels ruim 400 doden onder de burgerbevolking geteld, en het dodencijfer stijgt gestaag.

Door gerichte beschietingen van waterreservoirs en het pompstation is de reguliere watervoorziening volledig afgesneden. De bevolking is nu aangewezen op 44 waterputten. Volgens het Internationale Rode Kruis, dat gisteren voor een “humanitaire ramp” waarschuwde, leveren die “op zijn best” 3 liter water per persoon per dag, terwijl de Wereldgezondheidsorganisatie 7 liter als minimum aanhoudt. Het noorden probeert “de mensen van dorst te laten sterven”, meende het zuidelijke leiderschap gisteren. “Wat voor eenheid bepleit dit regime, en wie kan eenheid aanvaarden onder een regime met een dergelijke mentaliteit?”

De noordelijke minister van buitenlandse zaken, Mohammad Bassadawa, zei eerder deze week: “Wij hopen dat de noordelijke troepen Aden niet met geweld zullen moeten innemen. Wij hopen dat de inwoners van de stad in opstand komen en de separatisten zullen verjagen.” Maar de noordelijke leider president Ali Abdullah Saleh heeft er evenmin een geheim van gemaakt uiteindelijk Aden te zullen nemen, “tegen elke prijs”.

Daadwerkelijke verovering van de stad zal uitlopen op bloedige huis-aan-huisgevechten, en dat zou de buitenwereld wel eens kunnen provoceren tot sancties of de door het noorden gevreesde internationale erkenning van Zuid-Jemen. Dat lijkt de belangrijkste reden voor het noorden niet eerder de tanks Aden in te sturen, want van enig mededogen met de burgerij is geen sprake, integendeel. In het noorden maken de invloedrijke moslim-fundamentalisten, belangrijke bondgenoten van de regering in Sana'a, geen geheim van hun afkeer van de socialisten die voor de eenwording met het noorden in mei 1990 Zuid-Jemen regeerden. “God, help ons de socialisten te vernietigen, keer hun wapens tegen henzelf, breng ellende over elk land dat tegen ons partij kiest”, zo klonk het op het vrijdaggebed in een van de moskeeën van Sana'a.

De machtige sjeik Abdallah ben Hussein al-Ahmar, leider van de fundamentalistische regeringspartij Al-Islah en voorzitter van het (eenheids-)parlement, spreekt van “een heilige oorlog die men niet mag stoppen, zelfs niet als die ten koste van een miljoen doden gaat”. “Een staakt-het-vuren in de oorlog tegen de atheïsten is in strijd met de shari'a”, zo verklaarde professor Abdel Wahab al-Daïlami, een andere leider van Al-Islah. Hij riep op tot “voortzetting van de jihad tegen de separatisten, met inbegrip van vrouwen en kinderen”. De imams in Sana'a hebben zijn oproep tijdens het vrijdaggebed herhaald.

De noordelijke leider, president Ali Abdullah Saleh, heeft het over “de bende van afvalligheid en afscheiding” tegen wie “onze strijdkrachten de eenheid verdedigen”; een bende die “onschuldige burgers in de dappere stad Aden onderdrukt en foltert”, die hen “in de oven van de dood stort, zonder vrees voor God en ongehinderd door een geweten, ethiek of menselijke gevoelens”. Eigenlijk zijn het dus de zuidelijke leiders die verantwoordelijk zijn voor het lot van Aden, hun eigen hoofdstad.

Het zuiden spreekt in soortgelijke bewoordingen over het noorden (“Onze religieuze en nationale plicht gebiedt ons de rechtvaardige strijd te voeren tegen de krachten van het kwaad die onze rijkdommen plunderen en onze eer aantasten”).

Temidden van dit wapen- en woordengeweld is een vreedzame oplossing voorlopig illusoir. Sinds de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties vier weken geleden in resolutie 924 een onmiddellijk staakt-het-vuren in Jemen eiste, zijn zeker zes wapenstilstanden afgekondigd. Maar “bestanden op papier zijn niets waard”, zoals Sir David Hannay stelde, en het is de vraag of ze ook maar even van kracht zijn geweest. Het zuiden wil wel een staakt-het-vuren, maar op voorwaarden die een zekere vorm van erkenning impliceren - het wil niet terug naar de eenheidsstaat waarin het zich door het veel dichter bevolkte noorden misbruikt voelde. Het noorden wil geen bestand, maar voelt zich gedwongen de Veiligheidsraad lippendienst te bewijzen uit vrees voor zuidelijke diplomatieke terreinwinst.

Een en ander is tot op zekere hoogte koren op de molen van Saoedi-Arabië, dat van het begin af de potentiële macht van de Jemenitische eenheidsstaat vreesde, evenals de aantrekkingskracht voor zijn eigen burgers van het democratisch experiment dat zich enkele jaren in Jemen afspeelde. Samen met het grootste deel van de andere Arabische Golfstaten heeft het dan ook de zuidelijke kant gekozen; alleen Qatar, dat zelf een grensconflict met Saoedi-Arabië koestert, doet niet mee.

Volgens de noorderlingen stuurt Riad, samen met Kairo, het zuiden wapens en zelfs huurlingen - en het is een feit dat Aden daarom vraagt, onder verwijzing naar het “fundamentalistische gevaar” dat vanuit Sana'a dreigt - zoals Irak en Soedan volgens de zuiderlingen aan noordelijke zijde actief zijn. De rondom het Jemenitische conflict opnieuw aan de dag tredende verdeeldheid binnen de Arabische wereld, min of meer langs de lijnen uit de tijd van de Golfcrisis, lijkt zo de oorlog slechts te bestendigen. In het beste geval kunnen beide zijden hier voor hun wapens terecht, in het slechtste is uitbreiding van het conflict denkbaar. Het Westen vindt intussen dat uit deze regio juist een oplossing moet komen: van VN-vredesmachten wil het op dit moment niets weten.

Terug naar Aden. Als dit zuidelijk bolwerk vandaag of morgen uiteindelijk valt onder het noordelijk geweld, is de oorlog evenmin afgelopen. Dan trekt het zuidelijk leiderschap zich in de oostelijke provincies terug, waar voor Jemen belangrijke olievelden liggen. Dan zet het de strijd van daaruit voort.