Multinationale ondernemingen beheersen wereldeconomie

Global Dreams: Imperial Corporations & The New World Order. Door Richard J. Barnet & John Cavanagh. Uitgegeven door Simon & Schuster. ISBN 0-671-63377-5

Wijlen president Salvador Allende van Chili waarschuwde er twintig jaar geleden op de UNCTAD III-conferentie al voor: multinationale ondernemingen werden steeds meer 'de eigenlijke machtsfactor achter de wereldeconomie.' In de jaren zeventig waren de volkenrechtelijke en sociaal-economische aspecten van MNO's nog een geliefd gespreksonderwerp onder linkse studenten. Doch nadat de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling gedragsnormen voor MNO's had vastgesteld, verstomde de kritiek op multinationale ondernemingen. Het woord MNO raakte in de jaren tachtig zelfs in ongebruik. Toch is het transnationale bedrijf nooit verdwenen. Integendeel: het bedrijfsleven internationaliseert in hoog tempo. In 1970 waren er 7000 transnationale ondernemingen, nu zijn het er al 35.000.

Uit het fascinerende boek van Barnet en Cavanagh blijkt dat de motieven van de bedrijven om te internationaliseren nauwelijks zijn veranderd. Nog altijd gaat het om het vermijden van hoge arbeidskosten of de verwachte groei van een afzetmarkt. Wel zijn de produkten zelf steeds internationaler geworden: in de Filippijnen hebben Coca Cola en Pepsi de traditionele frisdranken al van markt verdreven en in Japan wordt dank zij McDonald's nu meer vlees dan rijst gegeten. Amerikaanse auto's en computers worden hoofdzakelijk uit Japanse onderdelen geassembleerd.

De sterke groei van het aantal multinationale ondernemingen werd na de Tweede Wereldoorlog vooral gestimuleerd door ontwikkelingen in het internationale handels- en betalingsverkeer, zoals de liberalisatie van de kapitaalmarkten. Anno 1994 lijkt kostenbesparing het belangrijkste motief voor internationalisering. Sony, fabrikant van consumentenelektronika, had vroeger ook fabrieken in het buitenland, maar dat was om lokale markten te bedienen. Door de stijgende lonen in eigen land en de revaluatie van yen wordt nu een derde van de produkten buiten Japan vervaardigd. In Bangkok verdient een arbeider nog geen 2,90 dollar per dag.

Sportschoenenfabrikant Nike laat vrijwel zijn volledige produktie in Azië maken. Jeansfabrikant Levi's sloot zelfs een naaifabriek in Texas omdat produceren op de Dominicaanse Republiek nóg goedkoper bleek te zijn. Dezelfde Levi's heeft al eens geprobeerd om Chinese staatsgevangenissen in te schakelen voor goedkope arbeid.

Barnet en Cavanagh schatten dat alleen al tussen 1969 en '76 22,3 miljoen banen in de VS zijn verdwenen omdat de produktie naar het buitenland werd verplaatst. Tegelijkertijd gaan de arbeidsomstandigheden in de VS er niet op vooruit. De instroom van arbeid vanuit Mexico komt voor het Amerikaanse bedrijfsleven zeer gelegen. Mexicaanse arbeiders nemen genoegen met lagere lonen dan hun Amerikaanse collega's. De vakbonden dreigen hun greep op de arbeid te verliezen.

Niet altijd speelt de factor arbeid een rol bij internationalisering. Amerikaanse sigarettenfabrikanten als RJR Nabisco en Philip Morris moesten internationaliseren onder druk van steeds hogere accijnzen op sigaretten en een krachtige anti-rooklobby. Om de naar verhouding zeer winstgevende tabaksproduktie op peil te houden werd de export naar Derde Wereld-landen fors uitgebreid. Toen de Sovjet-Unie in 1990 uit elkaar viel, was Philip Morris er al eerste bij om 20 miljard sigaretten naar Moskou over te vliegen. In St. Petersburg wil het bedrijf nu 10 miljard sigaretten per jaar produceren. Het wist zelfs een bres te slaan in de goed afgeschermde Zuidkoreaanse markt, waar jarenlang alleen sigaretten van eigen fabrikaat verkocht mochten worden. China en India zijn de volgende markten waar de sigarettenfabrikanten hun omzet willen vergroten. Vanwege de gezondheidsrisico's keuren Barnet en Cavanagh dit ten zeerste af.

Even kritisch stellen de auteurs zich op ten aanzien van de Amerikaanse kredietverlenende banken. Om branchevervaging tegen te gaan - het werkterrein van de banken is in de Verenigde Staten duidelijk afgebakend - was bankieren over de staatsgrenzen heen tot nu toe niet toegestaan, maar de meeste banken wisten aan die beperking te ontsnappen. Via zijn holding Citicorp, geen bank volgens de wet, kon Citibank in heel Amerika opereren als credit card-bankier. Weer andere banken sprongen over de staatsgrenzen heen door verzekeringen te verkopen.

Op internationale schaal gebeurde precies hetzelfde. Hoewel de Verenigde Staten de kapitaaluitstroom zoveel mogelijk probeerden te beperken, konden multinationals als IBM hun buitenlandse activiteiten rustig financieren met Eurodollars die - aanvankelijk ten behoeve van in het buitenland gestationeerde militairen - werden aangehouden bij banken buiten de Verenigde Staten. Het balanstotaal van de Eurodollarmarkt bedraagt nu al zo'n 4 triljoen dollar. Over de hele wereld krijgen banken door de deregulering steeds meer vrijheid. Met name de snel groeiende handel in derivaten, complexe financiële produkten die hun waarde ontlenen aan fysieke goederen of effecten en valuta-contracten, lijkt de de traditionele functie van banken - het verlenen van krediet - volledig te overschaduwen. De toezicht op deze handel in swaps, futures, caps en opties is minimaal. In de Verenigde Staten gingen door de deregulering en door de geringe supervisie al eens honderden spaarbanken over de kop doordat zij belegden in veel te riskante spaarvormen.

Samenvattend is de conclusie van Barnet en Cavanagh dat de transnationale door hun verdeel- en heerspolitiek iedere situatie naar hun hand kunnen zetten.