Het Nederlandse ideaal blijft trouwen en kinderen krijgen

Nederlanders hechten nog steeds veel waarde aan het gezin, zo blijkt uit een rapport van het Centraal Bureau voor de Statistiek. De gemiddelde Nederlander is geen asociale, calculerende burger die met de familiewaarden heeft afgerekend. Slechts een kleine minderheid van het aantal alleenwonenden wil dat permanent blijven.

Er is veel veranderd maar er is ook veel hetzelfde gebleven, zo blijkt uit het rapport 'Relatie- en gezinsvorming in de jaren negentig' van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en de Nederlandse Gezinsraad.

De meerderheid van de Nederlanders wil net als vroeger trouwen en kinderen krijgen en doet dit ook, en de meeste echtparen krijgen net als vroeger twee of drie kinderen. Ook hetzelfde als in de eerste helft van deze eeuw, is dat jongeren relatief weer lang thuis blijven wonen en vaak alleen om praktische redenen het ouderlijk huis verlaten.

Veranderd is dat steeds meer jongeren alleen gaan wonen en dat driekwart van de Nederlanders samenwoont voor het huwelijk. Deze samenwonenden gaan trouwen kort voor of na de geboorte van hun eerste kind. De meeste vrouwen willen bovendien in tegenstelling tot vroeger werk en kinderen combineren.

Een van de belangrijkste conclusies uit het rapport is dat relatie- en gezinsvorming in Nederland 'aparte momenten' zijn geworden en ook niet meer automatisch in elkaars verlengde liggen. Nederlanders experimenteren er zogezegd in hun jonge jaren op los en stellen de nog steeds vrijwel door iedereen nagestreefde gezinsvorming steeds langer uit.

De vraag is wat de oorzaak van dit uitstel is. Volgens een van de onderzoekers, de pedagoog en medewerker van de Gezinsraad P. Cuyvers, komt dit niet omdat de Nederlanders geen gezin willen stichten, maar omdat de gevolgen van de gezinsvorming vooral voor vrouwen het tegendeel zijn gaan betekenen van vroeger. “Vroeger was dit het glorieuze moment waarop je als volwassene in de maatschappij mocht participeren, nu is dit het moment waarop velen zich moeten afvragen hoe lang die participatie op een laag pitje komt”, aldus Cuyvers.

Het moeten opgeven van een baan is van grote betekenis op de beslissing van vooral vrouwen om het huwelijk en het krijgen van kinderen uit te stellen. Cuyvers pleitte bij de presentatie van het rapport voor een uitbreiding van het huwelijk met een soort 'ouderschapscontract', dat bepalingen bevat over eerlijke verdeling van arbeid binnens- en buitenshuis, net zoals het huwelijk ook bepalingen over onderhoudsplicht kent. Ook mevrouw C. Moolhuysen-Fase, voorzitter van de Gezinsraad, meent dat de overheid nog steeds veel te weinig doet om de meerderheid van de vrouwen te steunen die emancipatie en gezin willen combineren. “Al jaren heb ik naar voren gebracht dat de onderhandelingen over die combinatie op dit moment aan de keukentafel worden gevoerd in enorm veel gezinnen”, aldus Moolhuysen-Fase.

Veel gezinssociologen hebben de laatste jaren getracht de indruk bij vooral de politiek weg te nemen dat de individualisering van de Nederlandse samenleving heeft geleid tot het uiteenvallen van de waardevolle familieverbanden en het egoïsme heeft bevorderd. Deze indruk zou kunnen onstaan bij een oppervlakkige blik op de statistieken, waarin opvalt dat de stijging van het aantal huishoudens tot ruim zes miljoen in de jaren negentig vooral zit in de stijging van het aantal eenpersoonshuishoudens. Deze stijging, die volgens het CBS nog decennia zal voortduren, is echter niet het gevolg van een trend onder Nederlanders om meer dan vroeger het ideaal van het alleenwonen aan te hangen. De groei van het aantal eenpersoonshuishoudens zit vooral in het aantal jongeren dat meestal om te studeren een tijdje alleen gaat wonen, het aantal personen dat na (echt)scheidingen alleen woont en het toenemend aantal oudere vrouwen dat na het overlijden van hun echtgenoot als weduwe achterblijven. De verzorgingsstaat helpt bij deze ontwikkelingen een handje mee.

De resultaten van dit onderzoek bevestigen het gelijk van van de sociologen en demografen: de gemiddelde Nederlander is geen asociale, calculerende burger die met de familiewaarden heeft afgerekend. Slechts een kleine minderheid van het aantal alleenwonenden wil dat permanent blijven, ze zien hun leefvorm als een tijdelijke en in zekere zin toevallige fase in hun leven. “De veronderstelling dat in onze moderne westerse maatschappijen de individuele vrijheid leidt tot verval van normen en waarden lijkt door de gegevens van vandaag niet bevestigd te worden”, zo zei voorzitter Moolhuysen-Fase van de Gezinsraad.

CBS-onderzoeker J.J. Latten vatte de resultaten van het rapport als volgt samen: “Ondanks de toenemende neiging om een tijdje alleen door het leven te gaan, en de grotere kans om een tijdje samen te wonen, de relatief grote kans dat men weer uit elkaar gaat en er misschien weer alleen voor staat, de toenemende kans dat kinderen buitenechtelijk worden geboren, is er tot op heden ook sprake van een grote populariteit van het huwelijk.” Zijn conclusie: “Diversiteit komt in toenemende mate voor, maar alles op zijn tijd.”

Dat er nog steeds veel waarde aan het gezinsleven wordt gehecht, wordt onderstreept door een onderzoek van de Katholieke Universiteit Nijmegen onder bijna achthonderd Nederlandse gezinnen. De ouders van nu zijn ruimdenkender geworden over alternatieve samenlevingsvormen, maar staan nog steeds pal achter hun eigen gezin. Volgens onderzoeker J. Gerris is bij veertig procent van de Nederlandse gezinnen sprake van een combinatie van twee levenshoudingen: enerzijds de behoefte aan zelfstandigheid en zelf willen uitmaken wat goed voor het gezin is, anderzijds de behoefte om het bestaan in te richten zoals men dat van oudsher gewend is.

Sommige Nederlandse gezinssociologen, geïnspireerd door de civilisatietheorie van Norbert Elias, hangen de theorie dat zich in de loop van de afgelopen twintig jaar een onomkeerbare proces heeft voorgedaan van een bevelshuishouding naar een onderhandelingshuishouden. Deze termen werden geïntroduceerd door A. de Swaan. Binnen de onderhandelingshuishoudens, zo is onder anderen betoogd door de Leidse onderzoeker mevrouw M. du Bois-Reymond, maken de ouders niet bij voorbaat duidelijk dat zij het voor het zeggen hebben, maar zijn de ouders ervan doordrongen dat zij hun wil niet zonder meer aan hun kinderen kunnen opleggen. De maatstaven voor de opvoeding staan in deze onderhandelingshuishoudens niet vast maar worden gecreëerd tijdens een voortdurend proces van onderhandelen tussen ouders en kinderen. De sociaal hogere klassen lopen hierin voorop.

Uit de Verenigde Staten komen echter berichten dat het type van de strenge vader die discipline eist juist aan een herwaardering toe is. Veel mensen vinden dat het model van de vader die minstens vijftig procent van de luiers verschoont en huilt waar de kinderen bij zijn, aan vervanging toe is.

Overigens blijkt uit het nu voorliggende CBS-rapport dat één op de vier samenwonenden binnen acht jaar de partner verlaten. Het jaarlijkse aantal samenwonende paren dat uit elkaar gaat, is ruim twee keer zo hoog als het aantal echtscheidingen bij echtparen. Het aantal echtscheidingen schommelt sinds 1984 rond de 28.000 per jaar.

De cijfers in het rapport zijn gebaseerd op het Onderzoek Gezinsvorming van het CBS dat van februari tot medio juni vorig jaar heeft gehouden. Hiervoor zijn 4500 vrouwen en 3700 mannen in de leeftijd van 18 tot en met 42 jaar ondervraagd. De uitkomsten zijn representatief voor de inwoners van Nederland geboren in de periode van 1950 tot en met 1974.