Het narcistische kind

Onderwijs is altijd meer dan het bijbrengen van kennis en vaardigheden, zoals opvoeding ook verder gaat dan het bieden van voedsel, kleding en onderdak. De basishandelingen spelen zich af in een context die de sfeer bepaalt. Het is om te beginnen de sfeer die mensen zich herinneren als ze terugdenken aan hun jeugd, en niet de specifieke gebeurtenissen die inmiddels vervloeid zijn tot een grote soep met hier en daar een onderscheidbaar balletje. Van mijn lagere-schooltijd herinner ik me bijvoorbeeld het klassikale, lijzige declameren van de tafels van vermenigvuldiging, een beeld dat krachtig genoeg is om een heel tijdperk mee te illustreren.

Soms vraag ik me af wat voor sfeer-herinneringen mijn eigen kinderen aan het opbouwen zijn en hoe ze later op die kindertijd zullen terugkijken. Op de een of andere manier verwacht ik niet dat zorgeloosheid een van de trefwoorden zal zijn. Nu is waarschijnlijk geen enkele jeugd ooit zorgeloos (dat is ook maar een mythe die volwassenen graag in ere houden, als het over kinderen gaat), maar mijn eigen zorgen bleven toch tamelijk overzichtelijk beperkt tot dingen die met volgen of overtreden van de regels te maken hadden - de echte kinderangsten, zoals verlatingsangst, laat ik even buiten beschouwing, want die zijn van alle tijden. De zorgen van de kinderen van nu zijn minder tastbaar, omdat het begrip 'de regels volgen' aan belang heeft ingeboet. Dit heeft plaatsgemaakt voor 'verantwoorde keuzes maken'. Om ervoor te zorgen bijvoorbeeld dat tieners (voor wie seks een verworven recht vormt) de juiste keuze maken (dat wil zeggen een keuze die niet tot zwangerschap of akelige ziektes leidt), moeten kinderen al vanaf vroeg getraind worden in het nemen van verantwoordelijkheid.

Zo groot is het belang dat aan keuzes gehecht wordt dat je op een gemiddelde Amerikaanse peuterschool niet vreemd hoeft op te kijken als midden in de winter een driejarige in een zwempakje het klaslokaal betreedt. 'Het was het enige wat ze aan wou trekken,' verontschuldigt de moeder zich en stopt de leidster stiekem een warme trui toe 'voor het geval ze van gedachten verandert'. Het is een instelling die zeker bij kleine kinderen tot een ongelooflijke hoeveelheid rompslomp, heen en weer gepraat en wezenloze onderhandelingen leidt. Wat te denken van een vijfjarige die bij een andere vijfjarige een ochtendje komt spelen en zelf moet bepalen wanneer hij het wel weer mooi vindt. Lunchtijd is een natuurlijk breekpunt. Eet Nickie een boterhammetje mee? Nee, hij wil toch liever naar huis. Goed hoor, ik bel zoals afgesproken zijn moeder die tien minuten later voor de deur staat, maar Nickie heeft intussen iets interessants ontdekt en wil helemaal niet meer naar huis. Na onderhandeling wordt het compromis gesloten op nog een kwartier spelen. Het lijkt een beetje op een toneelstukje, waarbij de moeders alletwee doen alsof hun kinderen geheel handelingsbekwame personen zijn die hun voor- en afkeuren helder voor ogen hebben staan.

Zelfs met baby's wordt dit toneelstukje opgevoerd. Laatst was ik met mijn zoontje en de baby in de bibliotheek. De baby lag een beetje te miezeren in haar karretje, wat de bibliothecaresse een meevoelend 'oh dear, she doesn't look happy' ontlokte. Ik zei dat het tijd was voor haar middagslaapje, vandaar. 'Een dutje! Maar dat wil ze natuurlijk niet,' kirde de bibliothecaresse en kwam niet meer bij van verbazing, toen ik haar verzekerde dat deze baby wel zeker graag op z'n tijd een dutje deed en tevreden in slaap sukkelde. De mythe luidt nu eenmaal dat kinderen als het even kan niet naar bed willen. In Desmond Morris' boek Babywatching (in het Nederlands vertaald als Baby's) worden wel zeven redenen opgesomd en uitgewerkt waarom baby's huilen, maar moeheid staat er niet bij. Afgezien van voor de hand liggende redenen als honger, pijn of fysiek ongemak moeten ouders alert zijn op eenzaamheid, irritatie, verveling en frustratie van de baby. Blijkbaar valt het buiten Morris' voorstellingsvermogen dat een baby na een paar uur indrukken opdoen moe zou kunnen worden van de stimuli en om die reden gaat huilen. De daad zelf om de kleine in bed te leggen wordt op zo'n manier geruisloos verdacht. Ouders die dat doen moeten wel uit puur egoïsme handelen, want wat de baby werkelijk wil is aandacht - dat weet toch iedereen?

De nadruk op keuzes en beslissingsbevoegdheid van jonge kinderen brengt een hoop heisa met zich mee, die veel tijd en energie kost, maar daarnaast een kwalijker gevolg heeft: de plicht tot zelf-reflectie. Voor de ontwikkeling van een kind met uitgesproken voorkeuren naar een volwassene die verantwoorde keuzes maakt is zelfreflectie onontbeerlijk. Op school wordt daar hard aan gewerkt. Is het in de kleuterklassen nog voldoende om je favoriete eten, kleur en tv-programma te noemen, in de eerste klas begint men dieper op de materie in te gaan. Alle activiteiten worden in klassegesprekken beoordeeld op de leuk/niet-leuk-dimensie en de kinderen worden geacht hun oordeel te motiveren. De gedachte is dat dit het kritisch denken bevordert. Omdat het zes-en zevenjarigen nog niet echt vergund is om analytisch te redeneren moeten zij voortdurend zichzelf als referentiepunt nemen. In deze pedagogische opvatting vinden kinderen het ook interessant om 'met zichzelf bezig te zijn'; het zou de betrokkenheid met het leren verhogen.

Uit een willekeurig weekoverzicht van activiteiten van eersteklassers (naast dingen als 'we deden tikkertje met gymnastiek', 'we vonden een duizendpoot in de klas'): 'in onze dagboeken beschreven we onze gevoelens over rekenen', 'bij tekenen moest iedereen een zelfportret maken', 'we schreven een gedicht over onszelf'. Van al die dingen was de duizendpoot het enige wat mijn zoontje thuis de moeite van het vermelden waard had gevonden.

Hij heeft het er niet zo op, en dat kan ik wel begrijpen, want het heeft iets klef-therapeutisch, dat gehang over jezelf heen. Licht bedreigend is het ook om te moeten praten over dingen die slecht onder woorden te brengen zijn. Laatst sjokte hij zorgelijk naast me voort op weg naar school. 'Wat is er, heb je je huiswerk niet gemaakt?' vroeg ik, maar dat was het niet. Op het programma voor die dag stond 'counseling time' en de klas had zich moeten voorbereiden op de vraag 'what do you like about yourself?' Ik probeerde tevergeefs te bedenken wat ik zelf geantwoord zou hebben als zesjarige. 'Zeg maar dat je tevreden bent met je mooie blauwe ogen,' zei ik. Hij was gered, maar liever had hij sommetjes gemaakt.