Het inwendig gemompel van de begraafplaatswandelaar

De tentoonstelling op de Nieuwe Oosterbegraafplaats, Kruislaan 126, Amsterdam-Watergraafsmeer, is tot eind augustus elke dag geopend van 13.00 uur tot 15.30 uur.

Het boek, Een plaats van rust en bezinning, bevat tekst van Margriet de Roever en foto's (een anatal in kleur) van Theo Baart. geb. ƒ 65.

Een plattegrond met twee wandelroutes, een langs bijzondere graven, een langs idem bomen, is gratis verkrijgbaar. Net als een uitgaafje van het Bedrijfschap Natuursteen, 'Geschiedenis van de gedenksteen'.

De geschiedenis van de Amsterdamse begraafplaatsen moet bij mijn weten nog geschreven worden; wat je noemt een monografie is er in elk geval niet. Maar er lijkt een beetje schot in te komen, nu de op een na oudste, de Nieuwe Oosterbegraafplaats, zijn verjaardag viert. Het honderdjarig bestaan heeft onder meer geleid tot de uitgave van een boek en het organiseren van een tentoonstelling, beide gewijd aan de geschiedenis van althans deze begraafplaats.

Aardig is dat de begraafplaats zich niet heeft willen beperken tot alleen maar terugblikken. Een aantal beeldhouw(st)ers, verenigd onder de naam Memento, plus een aantal steenhouwerijen zijn in de gelegenheid gesteld om hun - nieuwe - grafontwerpen te tonen. Ze staan, in vak 26, onverhoeds te wachten op de wandelaar. Hieraan zal de wens om nieuwe gebruikers van de begraafplaats aan te trekken natuurlijk niet helemaal vreemd zijn. De vrij stormachtige groei, de afgelopen vijfentwintig jaar, van de crematie als cleane en rationele wijze van lijkbezorging is gestabiliseerd op net onder de vijftig procent. Sommige van de tentoongestelde grafontwerpen hebben al aftrek gevonden.

Mij beviel zeer goed een in bruin marmer uitgevoerde levensgrote als het ware varkenslederen koffer, met omgeklapte draaggreep (goed detail), die op een mooie terloopse manier schuin is neergezet op wat een grafdeksel zou kunnen zijn of worden. Hier zat de firma Harvas achter.

Schitterend vond ik een werk van beeldhouwster Petra Boshart: een omgevallen tol van een donkergrijze een beetje ruw gehouden natuursteen; een tol die getuige de aangebrachte Romeinse cijfers tevens als zonnewijzer kan fungeren. Het ding klinkt nu, tot mijn spijt, zwaarder dan het eruit ziet. Maar het is licht en luchtig en elegant.

Het ligt in mijn bedoeling de genoegens van een begraafplaats als de Nieuwe Ooster in twee à drie stukjes te voorzien van enige losjes verbonden kanttekeningen.

Ik hou nogal van begraafplaatsen. Het geldt geloof ik nog steeds als een beetje raar om dat te doen. Althans, om er zomaar eens een kijkje te nemen, zonder de speciale bedoeling om deze of gene eigen dode te gaan herdenken, dan wel diens graf te inspecteren en beplanten. Maar de tijden en de zeden zijn momenteel snel aan het veranderen, en de bovengenoemde initiatieven zijn daar zelf een teken van.

Voor de wandelaar is het aangenaam als een begraafplaats enige historische diepgang vertoont. maar dat is bijna automatisch het geval. Want de meeste Nederlandse begraafplaatsen - ik bedoel die in de grote steden, in parkstijl aangelegd - dateren ergens uit de vorige eeuw. Maar ook de verbluffende aanblik van de toen nog kersverse, zojuist gereedgekomen begraafplaats van Almere, een jaar of twintig geleden, herinner ik me graag. Alles was al in gereedheid, pril en wel, de gazons en de overige beplanting. Het wachten was alleen nog op de eerste te begraven Almeerder.

Het is moeilijk te zeggen wat er precies omgaat in het geheimzinnige brein (tevens hart) van de wandelaar. Maar is dat nu eigenlijk anders bij gebruikelijker geachte verrichtingen zoals het wandelen door een natuurgebied of een museum, het lezen van een boek of het luisteren naar muziek?

In principe interesseert alles me, op een begraafplaats. Alles en iedereen. De begraafplaats doet in zijn betrekkelijke ordeloosheid denken aan een nutteloos naslagwerk waarin het goed toeven is op de toevallige staties van de afgelegde trajecten. Je leest en peinst, al naar believen stilhoudend of koers zettend naar een volgend wenkend graf. Altijd komt er een inwendig gemompel van jewelste op gang. Zonder zin of reden reken je van alles uit. Wie er wie hoe lang overleefd heeft. En wie er in deze of gene dood de deelgenoten waren. Kort en wel, maar je staat - handen op de rug - mee te voelen met, of althans enigszins geïnteresserd te zijn in de wederwaardigheden van zomaar iemand, tijdgenoot of niet.

Tegelijkertijd zie je de vormen en manieren; in steen en in letters en in formuleringen. De statigheid van de negentiende eeuw, de toenemende informaliteit van de onze. Je ziet hoe zwijgzaam veel graven zo zoetjesaan zijn geworden. De geschiedenis van het grafopschrift, en parallel daaraan die van de rouwadvertentie is er lang een geweest van toenemende zwijgzaamheid en terugtrekking, uit de openbaarheid vandaan in het strikt persoonlijke maar dan ook nauwelijks meer te articuleren leed.

Het aantal graven waarop zelfs niet meer de moeite wordt genomen om iemand van een naam te voorzien, of van een paar data, is niet klein. Ik vind dat aangrijpend van wat ik als niets anders dan onbeholpenheid kan zien. Moet je nou dit graf hier zien, waarop afgezien van de woorden 'Veilig in Jezus' armen' een tijd lang alleen dit heeft gestaan:

ONZE LIEVE COKKIE

Geen jaartal, geen achternaam, geen nadere specificatie van het 'wij' dat tot de lezer spreekt. Een paar jaar later is daar, te oordelen naar de iets lichtere letters, aan toegevoegd:

EN LIEFHEBBENDE PA EN OPA

Volgt een opengehouden ruimte van een regel of zes. Waarna de woorden

RUST ZACHT

Toch worden door deze tekst, al is het dan rudimentair, nog een paar familierelaties en een genegenheid uitgedrukt. Een ander graf maakt van bijna alles een geheim. Op een glanzende zwarte marmeren steen die nog niet heel oud kan zijn, staat uitsluitend een enkele gouden initiaal:

E

Terughoudender kan een graf, zonder op te houden een kennelijk graf te zijn, niet worden. Het lijkt, naast een initiaal, de beginletter te zijn van het woord: EINDE.