De stilte van muziekpionier Bernd-Alois Zimmermann; Bach en blues rond één toon

Concert: Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Hans Vonk, m.m.v. Ivan Monighetti, cello. Werken van Zimmermann, Stravinsky, Lutoslawski en Skriabin. Gehoord: 26/6 Concertgebouw Amsterdam. Uitzending Radio 4 Avro 20/11.

Jazz in klassieke muziek herinnert aan componisten als Strawinsky en Les Six, aan muziek uit de jaren twintig, aan een pittig ritmische en heldere neo-klassieke schrijftrant. Bernd-Alois Zimmermann, met wiens Stille und Umkehr zondagmiddag het laatste concert in de serie 'Pioniers van onze eeuw' van start ging, was expressionist in hart en nieren, componist van uiterst complexe muziek.

Jazz en Bach (zoals in een citaat uit het koraal Es ist genug in de cantate Ich wandt mich und sah an alles Unrecht, das geschah unter der Sonne) vormen de dubbele rode draad in zijn oeuvre. Die knapte af na zijn twee laatste composities, de getuigeniscantate en Stille und Umkehr. Stilte en omkeer: een weg vooruit bestond niet meer. Luisteren naar deze muziek, geheel gebaseerd op één enkele toon, met het timbre van een zingende zaag als onthechte kleur is een navrante ervaring.

Navrant is ook de swingende bijdrage van de kleine trom als frivole indicatie van Zimmermanns jazzobsessie, “Der Blues-Spieler sollte unbedingt ein Jazzer sein,” noteerde de componist. Wat een waagstuk om zo'n ongrijpbare en fragiele compositie aan het begin van een concert te plaatsen. Logischer was geweest om andersom te openen met Skriabins giganteske Poème de l'extase en te eindigen in de stilte van Zimmermanns laatste terugblik, die schitterende compositie die nu in de half gevulde Grote Zaal van het Concertgebouw ruw werd onderbroken door laatkomers en kuchexplosies.

Weer wel geslaagd was de programmering van Lutoslawski's Violoncelconcert uit 1968 waarin dezelfde d uit Stille und Umkehr voortdurend terugkeert. Een merkwaardige, lange, inleidende solo voor de cello moet als een aftastende cadans klinken, bewust onzeker. Pas als het dreigende koper de solist tot de orde roept, ontstaat een meer dwingend betoog en vanaf het moment dat het strijkorkest inzet, kan de cellist zelfs langere, lyrische lijnen trekken.

Die waren vooral besteed aan Ivan Monighetti die met smetteloze stokvoering uitpakte in de bedwelmend zelfverzekerde stijl van een Rostropovitsj, aan wiens klank Lutoslawski trouwens ook heeft gedacht bij het componeren en bij wie Monighetti in de leer is geweest. Dat bewust aarzelende en aftastende begin eist in feite acteurservaring, en daarmee komt Lutoslawski op het terrein van Mauricio Kagel die niet zelden musici laat acteren.

Hans Vonk hield het orkestapparaat uitstekend in de hand - Lutoslawski doorspekt zijn concert met veel ad libitum-passages - en nog het meest geslaagd vond ik zijn helder gedisciplineerde opvatting in Strawinski's ballet Agon, alles fraai in balans en om zó op te dansen.