De kous op de kop

In de talrijke gevoelens die door de verdwijning van de heer Lubbers op Korfoe zijn gemengd, overwegen verbazing en verongelijktheid. Verbazing omdat ondanks alles blijkbaar weinig mensen konden of wilden geloven dat iemand die hier twaalf jaar minister-president was geweest en daarbij de allure van een aankomende vader des vaderlands had gekregen, in de Europese familie als een verwaarloosbaar neefje zou worden behandeld. Verongelijktheid omdat de nationale trots was gekwetst.

Natuurlijk leidt zo'n nederlaag tot zelfonderzoek. De overwegende conclusie is dat onze kandidaat zijn kansen niet zorgvuldig genoeg heeft gewogen, de tegenstand die hij zelf had veroorzaakt heeft onderschat, niet voldoende heeft onderzocht hoe vastberaden zijn tegenstanders waren en hoe trouw zijn vrienden. Die fouten - achteraf vastgesteld - hadden misschien kunnen worden voorkomen als de kandidaat zelf samen met het politiek en diplomatiek apparaat dat hem ten dienste stond, het terrein beter had verkend.

Nu lijkt het alsof de heer Lubbers, ster in de Nederlandse politiek, op eigen gelegenheid is begonnen aan een zelfmoordmissie die, nadat het point of no return achter de rug was, met voorbeeldige loyaliteit door de demissionaire regering is begeleid. Dit althans is de kwaadaardige uitleg waartoe de voorgeschiedenis van de afgelopen weken en de ontknoping op Korfoe uitnodigen. Het resultaat is in ieder geval dat het nationaal prestige een knak heeft gekregen. Daaropzouden nog andere mensen dan de ongelukkige kandidaat moeten worden aangesproken. Al degenen die hem in zijn opmars hebben begeleid delen in de verantwoordelijkheid.

Wat er verder ook zal gebeuren, of hij zijn tweede kans zou krijgen - en wat zorgwekkender is, die nemen - dan wel dat hij ergens anders zijn come back zou maken, wat hem is toevertrouwd - dit avontuur kan worden bijgeschreven in het Nederlands zwartboek van internationale vergissingen. Voor de veroorzakers en het slachtoffer mag het een troost zijn dat het weleens erger is geweest.

Door het rumoer om het verleden van de heer Gonsalves is de 'kwestie Nieuw Guinea' weer even in de publiciteit gekomen. De oorzaken waardoor het toen - tussen 1949, het jaar van de Soevereiniteitsoverdracht, en 1962 waarin Nederland afstand van zijn gezag deed - tot een 'kwestie' is gekomen, zijn in principe dezelfde die de onderneming van de heer Lubbers hebben doen stranden: gebrek aan kennis over wat er in het terzake doende buitenland werd gedacht in vereniging met het geloof dat goede bedoelingen voldoende zijn om trouwe vrienden te maken.

Aan deze goede bedoelingen met de Papoea's had toen niet alleen de heer Gonsalves zijn aanwezigheid in Nieuw Guinea te danken maar met hem op den duur een kleine expeditionaire macht. Ons vliegdekschip de Karel Doorman heeft er een vruchteloze tocht voor gemaakt, de halve wereld om, daarbij bewijs op bewijs stapelend dat we dan weer in deze, dan weer in die bevriende haven niet welkom waren. Minister Luns, toevallig ook een dominant man uit de katholieke hoek, kwam met het naar hem genoemde plan om het vraagstuk te 'internationaliseren'. Maar ondanks alle sonderingen en overredingskracht van de regering en de Buitenlandse Dienst bleek er niet genoeg steun in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties te zijn, en daar leek het toen om te gaan. Leek, want als Nederland destijds de zegen van tweederde had gekregen hadden we er misschien nog langer aan vast gezeten. Dan was er een nog grotere kans geweest dat we nu nog meer onderzoeken naar wandaden van toen zouden moeten doen.

Een tragikomedie uit de oude doos. Met minister Luns, de hoofdarchitect van deze onderneming, is het trouwens goed gekomen: hij is nog negen jaar minister gebleven en daarna secretaris-generaal van de NAVO geworden.

Lijkt de kous die we nu op de kop hebben gekregen niet een beetje op die van tweeëndertig jaar geleden? Het formaat van toen is heel wat groter, maar het gaat om de kern van de oorzaak. Die is, jammer genoeg, de Nederlandse hebbelijkheid om niet voldoende verstand te hebben van de buitenwereld en als gevolg daarvan zichzelf te overschatten. (Of misschien is het andersom: begint het met de zelfoverschatting waardoor de overtuiging ontstaat dat het met ons verstand van de buitenwereld in orde is). Dat is niet alleen een hebbelijkheid van de Nederlandse politiek. Hetzelfde wordt vaak vertoond in de culturele, sportieve en kennelijk ook commerciële verhoudingen. Daarbij heb ik het niet over het 'opgeheven vingertje'; ik bedoel in het algemeen de voorbarige, op nog geen verdienste gebaseerde luidruchtigheid waarmee Nederlanders van hoog tot laag een nederlaag tegemoet kunnen gaan, om zich daarna met wellust in verongelijktheid te dompelen.

Dat was gênant in de tijd van de 'kwestie Nieuw Guinea' en dat is het na Korfoe nog. Het ergste is dat het niet nodig is. We hoeven niet meteen onze zakenlieden te leren hun schoenen te poetsen (zoals nu nota bene in Nijmegen wordt gedacht) om de eerbied van de Duitse collega's te wekken; niet meteen in een ander uiterste te tuimelen. Het gaat om de eenvoudige oplossing van dat telkens weerkerend raadsel dat blijkbaar deel is van de Nederlandse erfzonde.