Bij God

De steen staat dicht bij het hek, middenin het bos eigenlijk, en vertelt twee dingen over het leven van een vrouw die ik niet ken.

Haar man is gestorven op 1 mei 1945, nog geen dertig jaar oud. Behalve de datum zijn er geen aanwijzingen dat zijn dood met de oorlog te maken had.

Haar zoontje, 'mijn eenigste lieveling', stierf op 26 januari 1946, een maand na zijn tweede verjaardag.

Er staat geschreven: Jong gestorven, vroeg bij God.

Ik weet nog dat ik daaraan aanstoot nam, een duidelijke ergernis, maar ik weet niet meer precies waarom. Het zal wel zo zijn dat ik me op een of andere manier boven deze tekst verheven voelde. Jaren geleden. Toen begon ik te beseffen dat je niet op grond van een paar woorden kunt oordelen over andermans verdriet. Toen ben ik aan die steen gehecht geraakt.

Mijn opa ligt een eindje verderop. Maar ik ben met hond. Je gaat niet met een hond het kerkhof op.

We liepen samen langs de vijver in het Villapark. Een zwaan beet woedend naar zijn schoen en week vervolgens blazend terug.

Hij stierf met Kerstmis 1954. Ik was acht. Hij is de eerste dode die ik me kan herinneren.

Er komen steeds meer doden in je hoofd. Ze raken langzaam in de meerderheid. Je sluit je aan. Je wordt iets in het hoofd van anderen. En op den duur ook dat niet meer.