A. DEN DOOLAARD 1901 - 1994; Romanticus van de daad

A. den Doolaard, die als 93-jarige aan het eind van een volledig geleefd leven is gekomen, kreeg drie jaar geleden de vraag voorgelegd of hij met het klimmen van de jaren milder was geworden. De schrijver keek alsof de interviewer hem zojuist van fascistische sympathieën had beschuldigd en schoot, ondanks de stramheid van zijn leden, recht overeind. “Milder?!” riep hij uit. “Nee! Ik ben fanatieker geworden voor de vrijheid!”

Zijn leven en werken waren tot het laatst toe vol uitroeptekens. Hij wond zich op over de westerse neutraliteit jegens zijn geliefde Balkan, waar hij zestig jaar geleden zijn bekendste romans situeerde, en ergerde zich, bijna blind en doof geworden, aan het onbegrip dat volgens hem de verslaggeving over de strijd in Bosnië kenmerkte. Hij wist dat het fout zou gaan - en niemand deed iets. Tot in 1991 trachtte hij in gloedvolle artikelen, onder meer in deze krant, de achtergronden van het conflict te verduidelijken. Dat het land waar hij zijn schrijversbestemming vond, aan flarden werd geschoten, bezorgde hem letterlijk slapeloze nachten.

Eind jaren twintig trok hij er voor het eerst naar toe, na de deur te hebben dichtgetrokken bij de Bataafse Petroleum Maatschappij, waar hij onder zijn ware naam Cornelis Spoelstra als boekhouder had gewerkt. De hartstochtelijke balladen die hij al als jongeling had gepubliceerd, deed hij later af als een fase waar elke puber doorheen moet. Hij wilde reporter en romancier worden, twee roepingen die in die jaren in stilistisch opzicht dicht bij elkaar lagen, mat zichzelf een pseudoniem als een zelfportret aan, en ging reizen om nieuwe mensen en nieuwe werelden te ontdekken. Hij was, schreef Clara Eggink later, “een romanticus van de daad”. Waar anderen aan hun schrijfbureau het leven trachtten te betrappen, zocht Den Doolaard het op in de buitenlucht - zwervend en “het droog herbergzaam stro” versmadend. Zijn eerste roman, De druivenplukkers (1931), zinderde al meteen van de vitaliteit die zijn proza typeerde. Daarna volgden, in hoog tempo, de boeken die hem tot één van de populairste vertellers van Nederland maakten: De herberg met het hoefijzer (1933), Oriënt Expres (1934), Wampie (1938) en De bruiloft der zeven zigeuners (1939).

Maar de jonge schrijver staarde zich niet blind op de romantiek van de weidse landschappen (“je moest er wel gelukkig zijn, of je wilde of niet”), de verlokkende blikken van de vrouwen, de warme zon en de heldhaftigheid van de vrijheidsstrijders. Hij meldde zich als reisredacteur aan bij de Arbeiderspers en publiceerde in het dagblad Het Volk onthullende artikelen over de gistingen in het vooroorlogse Europa, die hem herhaaldelijk in moeilijkheden brachten met diverse autoriteiten. Zo werd hij in 1935 in Oostenrijk van zijn bed gelicht en het land uitgezet wegens “staatsgevaarlijke” reportages over wapenleveranties aan Italië. Zijn pamflettistische bundel Het hakenkruis over Europa (1938) had een voorspellende kracht die op dat moment lang niet door iedereen werd erkend.

Tijdens de bezetting wist Den Doolaard na een avontuurlijke tocht naar Londen te ontkomen, waar hij eerst de stem was van de voor Nederlandse zeevaarders bedoelde Radio Brandaris en daarna toetrad tot de staf van Radio Oranje. Op een foto uit 1944 zit hij met een gebalde vuist achter de microfoon - niet omdat een radioluisteraar daar iets van zou kunnen zien, maar omdat het gebaar als vanzelf voortkwam uit de gespierde taal die hij sprak. Zijn stem (“Hier is Radio Oranje, de stem van strijdend Nederland!”) moet in het bezette land hebben geklonken als een klaroenstoot uit de vrijheid.

Na de oorlog schreef Den Doolaard onder meer de sociaal bewogen roman Kleine mensen in de grote wereld (1953), die de meest directe uitingsvorm was van het thema waarover hij zijn hele leven heeft geschreven: de niet aflatende strijd van de eenling tegen de hem omringende wereld. Daarnaast publiceerde hij nog talloze reisboeken, maar gaandeweg kwam hij in de literatuur met zijn in epische lyriek vervatte engagement alleen te staan. Zijn vooroorlogse romans beleefden herdruk na herdruk, maar zijn naoorlogse werk vond veel minder weerklank.

In plaats daarvan manifesteerde Den Doolaard zich als deelnemer aan demonstraties tegen de atoombom, spreker op protestvergaderingen, voorvechter van schrijversrechten, actief bestuurslid van de internationale schrijversorganisatie PEN en auteur van pacifistisch getinte vlugschriften die in de jaren vijftig en zestig meer dan eens tot verboden lectuur werden verklaard door kazernecommandanten en geestelijke hoogwaardigheidsbekleders. Nog in 1980 bestreed hij in geschrifte de visie van dr. L. de Jong op de rol van de geheimzinnige François van 't Sant, die in Londen de vertrouweling van koningin Wilhelmina was, en in 1984 publiceerde hij de brochure Ik ben tegen, een ondubbelzinnig pleidooi tegen de kernbewapening.

In april van dit jaar beleefde Den Doolaard het intense genoegen dat zijn boek De herberg met het hoefijzer verscheen in een Albanese vertaling, zodat hij nog in hun eigen taal een groet kon uitbrengen aan het land en het volk waaraan hij zoveel te danken had gehad.

“Machtiger dan ik was steeds het leven,” zei hij, toen hem acht jaar geleden een suggestie voor een grafschrift werd gevraagd. Maar treffender is misschien nog hetgeen hij antwoordde op de vraag van Adriaan van Dis of hij één zin uit eigen werk kon citeren waar hij het meest trots op was: “We hebben tussen wonderen geleefd, maar we hebben het niet begrepen.”