'Vrouwelijke managers regelen probleem sneller'

DEN HAAG, 28 JUNI. “Vrouwen stellen binnen een organisatie zaken die foutlopen veel makkelijker ter discussie dan mannen”, zegt dr. B. Plesch, plaatsvervangend secretaris-generaal van het ministerie van binnenlandse zaken. “Bij het oplossen van problemen is dat een groot voordeel.”

Plesch, op het ministerie verantwoordelijk voor financiën en personeelsbeleid, sprak onlangs op een studiedag in Rotterdam over 'De rol en positie van hoger opgeleide vrouwen in organisaties'. Voordat ze in 1982 bij binnenlandse zaken kwam was ze onder meer werkzaam als organisatie-adviseur en promoveerde ze, vanuit haar achtergrond als fysioloog en bioloog, op het menselijk immuunsysteem. De vraag waarin de managementstijl van mannen van die van vrouwen verschilt vindt ze “eigenlijk geen vruchtbaar thema”, die al snel tot de discussie leidt wie wat beter doet. Voor Plesch is de kernvraag wat het voor de organisatie oplevert. “Een combinatie van mannelijke en vrouwelijke eigenschappen vergroot binnen een organisatie de 'pool aan management tools'. Dit betekent dat ze tesamen meer probleemoplossend vermogen hebben en dus meer flexibiliteit in aanpak.”

Plesch zegt dagelijks te ervaren dat vrouwen andere eigenschappen inzetten bij het werk dan mannen. Zo hebben vrouwen volgens haar meer oog voor het grotere geheel, “ze kijken meer naar de uitvoeringsaspecten van het beleid.” Ook vindt ze bij vrouwen de scheiding tussen persoon en functionaris minder sterk, waardoor de omgang met medewerkers minder hard zou zijn. Mannen zijn volgens haar meer oplossingsgericht. “Ze zijn competitiever en in het algemeen doelgerichter. Mannen zijn bedreven in het tactisch spel: manoeuvreren in de kantoorpolitiek en op de carrièreladder.”

Daarentegen zijn vrouwen naar haar mening meer betrokken, geven ze meer om de mensen met wie ze werken en proberen ze meer hun behoeften te begrijpen. “Mannen vormen teams, vrouwen een groep”, zo vat ze het verschil samen. Plesch is ervan overtuigd dat dit biologisch verklaarbaar is. Dat vrouwen “op een meer vanzelfsprekende, intuïtieve manier zorgzaamheid in hun werk incorporeren” ligt volgens haar aan de scheiding tussen de twee hersenhelften, waarvan wetenschappelijk is aangetoond dat vrouwen beter dan mannen in staat zijn de verbale linkerhelft en de ruimtelijke rechterhelft tegelijkertijd te gebruiken. Daardoor, zo zegt Plesch, kan een vrouw zich makkelijker tegelijkertijd met meerdere onderwerpen bezighouden. “Een man moet daarvoor steeds van de ene naar de andere hersenhelft switchen, een vrouw heeft daar geen moeite mee. Een vrouwelijk manager is daardoor ook beter benaderbaar voor haar medewerkers”, legt Plesch uit.

Dat mannen sterker zijn in het nemen van besluiten is volgens haar een fabel. “In mijn omgeving wordt het omgekeerde ervaren: vrouwen zijn juist sneller, meer doelgericht en hebben ook minder woorden nodig.” Waarom heben deze eigenschappen vrouwen dan niet massaal aan de top van organisaties gebracht? Plesch: “Per slot van rekening zijn de regels daar door mannen bedacht, was het aanbod van vrouwen voor die plekken traditioneel klein en bovendien hebben ze nog niet veel moeite gedaan om er binnen te dringen.” Dit laatste komt naar haar mening omdat nog steeds veel vrouwen denken dat managen geen aantrekkelijk werk is. “Dat beeld van ellenlange vergaderingen en veel saai bureauwerk is niet waar. Het is juist een dynamische baan waarin je veel kunt veranderen.”

Plesch benadrukt dat “het inzetten van de talenten van vrouwen” niet afgedaan kan worden als mode, maar dat het noodzakelijk is om het eigen bedrijf goed voor te bereiden op de toekomst. Ze verwijst daarbij naar een recentelijk verschenen rapport van de Sociaal Economische Raad over de positie van vrouwen in hogere functies. Daarin staat dat de “verwachte schaarste aan gekwalificeerd personeel en de veranderende eisen die aan managers worden gesteld alerte bedrijven ertoe dwingen nu reeds kansen voor vrouwen te scheppen.” Plesch sluit zich hier graag bij aan. Het binnenhalen van vrouwen gaat echter niet vanzelf, waarschuwt ze. “Zeker niet als het percentage vrouwen in een organisatie gering is. Want dan is die werkomgeving alleen aantrekkelijk voor vrouwen die gewend zijn in 'male dominated' situaties te werken.”

Een eerste voorwaarde voor het succesvol werven van vrouwen is het creeëren van draagvlak daarvoor aan de top van een organisatie, zegt Plesch. Dit kan worden geconcretiseerd door het opnemen van een vrouw in de leiding. “De voorbeeldfunctie die daar vanuit gaat moet niet worden onderschat”, vindt ze. Vervolgens moet aandacht worden besteed aan de arbeidsvoorwaarden. “De overheid is daar een goed voorbeeld van. Het stimuleren van deeltijdarbeid, ook in leidinggevende functies, trekt vrouwen aan.” Maar dat is niet genoeg. Plesch somt daarnaast nog een hele rij op die volgens haar beslist nodigzijn: kinderopvang, ouderschapsverlof, kolfkamer, flexibele werktijden en als belangrijkste: bekend staan als vrouwvriendelijke organisatie.

De overheid voert voor vrouwen een voorkeursbeleid. In de categorie hoger opgeleiden (schaal 10 en hoger) had het ministerie van binnenlandse zaken in 1993 27 procent vrouwen in dienst. Koploper in hoger opgeleide vrouwen is het ministerie van justitie (30,6). In de achterhoede zitten de ministeries van defensie en verkeer en waterstaat met respectievelijk 8,3 en 10,8 procent.

Dat er ten slotte uit Nederlands onderzoek naar de managementstijl van mannen en vrouwen steeds slechts kleine verschillen naar voren komen, terwijl buitenlands onderzoek anders doet verwachten, verklaart Plesch door de Nederlandse cultuur. “De mannelijke cultuur is hier minder macho dan in de Anglosaksische landen, waar in veel onderzoek wel aanzienlijke verschillen worden aangetroffen.” Daarnaast past de Nederlandse cultuur zich aan, ervaart Plesch. Zo hoort ze tegenwoordig veel vrouwen die aan het begin van hun carrière staan, roepen dat er geen verschillen zijn. Zelf houdt ze het erop dat die er wel zijn, maar nog niet wetenschappelijk aangetoond. Ze vertrouwt erop dat dit er nog van komt, immers: “De werking van acupunctuur werd ook pas aangetoond toen ze endorphinen ontdekten, ondanks 2000 jaar goede resultaten ermee in China.”