Ouderschapsverlof bij de rijksoverheid faalt

DEN HAAG, 28 JUNI. Ouderschapsverlof voor ambtenaren blijkt niet tot de beoogde verruiming van de werkgelegenheid te leiden, omdat de opengevallen arbeidsplaatsen onvoldoende worden herbezet. Evenmin leidt het tot een andere verdeling van betaald werk en ouderschapstaken tussen mannen en vrouwen.

Dit concludeert de Algemene Rekenkamer in haar vandaag verschenen halfjaarlijkse verslag. De Rekenkamer vraagt zich af of de regelingen voor ouderschapsverlof bij de rijksoverheid wel moeten worden gehandhaafd, gezien de hoge kosten en de negatieve effecten ervan op het functioneren van een organisatie.

Het college baseert zijn conclusies op een onderzoek bij vijf ministeries, waar 70 procent van degenen die van ouderschapsverlof gebruik maakten, werkzaam waren. Het ministerie van binnenlandse zaken voelt er overigens niet voor de regeling al op de helling te zetten, maar wil wel verder nagaan in hoeverre zij voldoet aan de doelstellingen.

De Wet op het ouderschapsverlof geeft alle werknemers met een kind jonger dan vier jaar het recht maximaal zes maanden achtereen onbetaald verlof op te nemen, waarbij ze minimaal twintig uur per week moeten blijven werken. De regeling bij de rijksoverheid gaat veel verder dan de wet. De verlofuren voor de ambtenaren worden wel (voor 75 procent) doorbetaald, ook ambtenaren die niet meer dan 16 uur per week in deeltijd werken hebben er recht op en ze hebben een ruimere keuze voor wat betreft de duur van de verlofperiode.

Het onderzoek van de Rekenkamer strekte zich uit over het jaar 1992. Bij de ministeries waren toen 6154 ambtenaren met ouderschapsverlof. Herbezetting had tot ruim 700 extra arbeidsplaatsen kunnen leiden. De Rekenkamer schat dat dit echter beperkt is gebleven tot 100 (volledige) banen. Vooraf hadden de departementen rekening gehouden met een herbezetting van 83 procent. De Rekenkamer stelt vast dat in situaties waarin de vrijkomende arbeidstijd niet werd opgevuld, collega's met verhoogde werkdruk werden geconfronteerd en zich bij de organisatie kwaliteits- of produktieverlies voordeed.

De beoogde herverdeling van betaald werk en zorgtaken over mannen en vrouwen blijkt niet uit de verf te komen. Blijkens het onderzoek van de Rekenkamer gaat bijna de helft van de vrouwen na afloop van het ouderschapsverlof minder werken en slechts vier procent van de mannen.

Het gebruik van de ouderschapsregelingen was groter dan verwacht. In het onderzochte jaar ging 7,5 procent van de vrouwen en 4,7 procent van de mannen tot 45 jaar met verlof, terwijl verwacht was dat deze percentages respectievelijk 2,7 en 3 zouden bedragen. Vrouwen brachten hun arbeidsduur gedurende het verlof met gemiddeld de helft terug en mannen met ongeveer een derde. De Rekenkamer schat de totale kosten op 38,3 miljoen gulden.

Kader:

Andere opmerkingen van de Algemene Rekenkamer in haar halfjaarlijkse rapport aan de Tweede Kamer zijn:

Er bestaat onduidelijkheid over de operationele inzetbaarheid van de drie krijgsmachtonderdelen, vooral van de Koninklijke Landmacht. Goede en beknopte informatie daarover in de vorm van een periodieke rapportage ontbreekt.

De bijdrage van de overheid aan de Floriade 1992 in Zoetermeer bedroeg 6,3 miljoen gulden in plaats van de geraamde 4,6 miljoen. Tussen de zeven betrokken ministeries ontbraken duidelijke afspraken.

Het in 1985 door het kabinet geformuleerde streven om staatsdeelnemingen af te stoten of het aantal aandelen van de overheid te verminderen, is slechts voor de helft gerealiseerd.

Het verlenen van milieusubsidies (totaalbedrag: ruim 2,4 miljard gulden per jaar) moet zorgvuldiger geschieden. Het doel van de subsidie is vaak niet duidelijk. Het effect van subsidies in de landbouw is ongewis. Bij zeven van de acht door de Rekenkamer bezochte bedrijven bleek dat ze een bepaalde investering ook zonder de subsidie zouden hebben gedaan.