Klassieke en populaire chansons een lust om naar te luisteren

Concert: Là-bas, Liederen van Ibert, Fauré, Debussy, Brel, Berger, Didier, Nieuwint en Baarda. Gezongen door Philippe Elan, Annemarie Maas, Mitchell Sandler en Ingrid Stijsiger. Piano: Martijn Breebaart, Abby Lumsden. Gehoord: 24/6, Odeon Amsterdam.

Het geheim van het Franse chanson is het ineenpassen van grote poëzie en mooie, melodieuze muziek. Aan het eind van de vorige eeuw maakten componisten als Fauré en Debussy dankbaar gebruik van de teksten van een tijdgenoot-dichter als Paul Verlaine. Na de Tweede Wereldoorlog beleefde het chanson een gouden periode vanwege artiesten als Ferré, Gainsbourg en Brel, die hun eigen teksten en muziek schreven en uitvoerden. Het chanson werd van een klassiek tot een populair genre.

In de sfeervolle bovenzaal van Odeon (normaal een discotheek) waren afgelopen vrijdag Franse liederen van beide soorten te horen. Organisatrice en componiste Mariëtte Baarda had voor de gelegenheid achttien chansons bijeen gezocht uit de periode 1850-1980, alle rondom het thema 'onbereikbaarheid'. Een vaag thema (verlangens, dromen en mislukte liefdes zijn de voedingsbron voor alle poëzie), maar vanwege die brede opzet kreeg de avond het karakter van een beknopte geschiedenis van het Franse chanson.

Baarda had bewust gekozen voor een niet-chronologische volgorde in het programma. Liederen van Ibert en Fauré werden afgewisseld met nummers van Brel, Berger en haarzelf. Toch slaagde zij er niet in om aan de strenge scheiding tussen klassieke en populaire muziek te ontkomen. Sopraan Ingrid Stijsiger (in pompeuze baljurk) en bariton Mitchell Sandler brachten stijfjes hun liederen ten gehore, terwijl Philippe Elan en Annemarie Maas juist overdreven nonchalant wilden overkomen. De enigen die onbekommerd en moeiteloos van het ene genre op het andere overschakelden, waren de pianisten Abby Lumsden, en Martijn Breebaart, begeleider van onder anderen Ramses Shaffy.

Wat vooral stoorde aan de muziekavond was het strakke korset waarin alles was gegoten; door een overdreven symbolische mise-en-scène (ieder gebaar moest een pijnlijk verlangen uitdrukken) kon geen van de zangers zich een gemakkelijke houding geven. Daar komt nog bij dat de liederen aan elkaar werden gepraat door bijna evangelische, volstrekt clichématige teksten over 'het amoureus tekort'.

Toch waren de meeste liederen een lust om naar te luisteren, vooral het Déjeuner du matin van Prévert (gezongen door Elan) en Un garcon pas comme les autres (gezongen door Maas). Van de vier gedichten die Baarda zelf toonzette, verraste Le pont Mirabeau van Apollinaire. Hoewel dit meest eenzame, meest melancholische gedicht uit de Franse literatuur werd uitgevoerd als een duet, was het resultaat schriller dan bekende versies van Ferré en Serge Reggiani. Sonne l'heure, les jours s'en vont, je demeure... Het is een feit, de mooiste poëzie verdient het om (steeds opnieuw) te worden gezongen.