Het verlies van een kostbaar iets

De 30-jarige Mustafa Bidaoui is geen gemakkelijke cliënt voor zijn advocate. Bij de Amsterdamse rechtbank was hij, een half jaar geleden, een koele verdachte die geen krimp gaf, zelfs niet toen hij een gevangenisstraf van vijftien jaar tegen zich hoorde eisen voor moord op zijn vrouw. Uiteindelijk sprak de rechtbank hem vrij van moord, maar voor doodslag - dus zonder voorbedachte rade - werd hij tot negen jaar veroordeeld.

De officier van justitie kon zich niet verenigen met dit vonnis en ging bij het hof in beroep - evenals Bidaoui zelf.

“Waarom?” vraagt de president, mr. N. van Lingen.

“Mijn raadsvrouw vond het nodig”, laat Bidaoui via zijn tolk weten.

Hij is in 1979 vanuit Marokko naar Nederland gekomen, maar zijn Nederlands is kennelijk nog steeds onvoldoende. Vier jaar later trouwde hij met Chama, die hij in Nederland op school had leren kennen. Bidaoui komt uit een Berber-familie, Chama had een meer Arabisch-Europese achtergrond. Dat verschil in milieu zou zich spoedig wreken in hun huwelijk. Ze kregen drie kinderen, maar de spanningen liepen zienderogen op.

Er werd gescholden, gedreigd - ook met messen - en de politie moest herhaaldelijk tussenbeide komen. In 1992 volgde de onvermijdelijke scheiding. Het merkwaardige is dat Bidaoui daarna bij zijn vrouw bleef komen en ook wonen. Ook in de nacht vóór de fatale datum - zondag 26 september 1993 - had Bidaoui bij vrouw en kinderen geslapen. Op zondagmorgen bezocht hij zijn ouders om suiker én een slachtmes te lenen. Hij was kwaad, er waren thuis weer ruzies geweest.

Tegen zijn moeder zei hij dat hij met het mes zijn vrouw en ene Abdul om zeep wilde brengen. Abdul was een Marokkaan die Chama vaak lastig viel. Zij was daar niet van gediend en besprak het probleem met Bidaoui. Hij vertrouwde haar in dit opzicht volledig - zijn latere aanslag op Chama is dan ook zeker niet ingegeven door seksuele jaloezie.

“Dus u nam dat mes mee voor Abdul?” vraagt de president.

“Ja. Hij heeft zelf altijd een mes bij zich.”

“Maar u heeft tegen uw moeder gezegd dat het ook voor Chama was bestemd.”

“Ja.”

“Volgens uw zwager heeft u dat ook tegen hem gezegd.”

“Dat is verzonnen.”

“Was u toen ook van plan om het tegen beiden te gebruiken?”

Mustafa geeft, zoals zo vaak, geen rechtstreeks antwoord. “Wij konden niet meer met elkaar overweg”, zegt hij.

Op de terugweg naar zijn huis had hij vanuit een telefooncel nog met zijn vader gebeld. Ze hoefden zich geen zorgen om Chama te maken, zou hij toen gezegd hebben. Maar eenmaal thuis, liep het alsnog volkomen uit de hand.

Het gebeurde 's avonds, kort na zevenen. De zoveelste woordenwisseling ontstond en Chama voegde hem toe: “Wat heb jij hier nog te zoeken, ga weg.” Bidaoui zat op dat moment naar de televisie te kijken. Zijn gemoed explodeerde. Hij had zich in de loop van zijn huwelijksjaren vaak machteloos en vernederd gevoeld door de houding van Chama. Zij zocht zelfbewust haar weg in de buitenwereld, zij liet zich niet door haar man opsluiten. Haar gedrag botste met zijn traditionele normbesef, dat hij overigens liever aan anderen dan aan zichzelf oplegde: hij dronk en rookte hasj.

“Ze heeft nooit iets leuks tegen mij gezegd”, klaagt hij tegen zijn rechters, “negen jaar lang niet.”

Terwijl Chama naar de slaapkamer liep om de kinderen naar bed te brengen, pakte Mustafa het slachtmes uit een koffertje en liep haar achterna. “Ze zei dat ze de politie erbij zou halen. Ik werd steeds kwader.”

“Heeft u gezegd: ik steek je dood?” vraagt de president.

“Nee, maar die dingen hebben we vroeger wel vaker tegen elkaar gezegd.”

“U heeft later verklaard dat de kinderen het moesten zien.”

Ook dit navrante detail omzeilt Bidaoui. “Wij zijn negen jaar lang niet uit de problemen gekomen.”

In dolle drift - en terwijl zijn kinderen toekeken - stak Bidaoui zijn vrouw: éénmaal, maar dat was genoeg. Toen de politie arriveerde, was ze al dood. Ze overleed aan steekverwondingen in haar bovenbuik.

De politie trof Bidaoui luid jammerend aan bij het lijk. Hoe moeten zijn drie kinderen (negen, zeven en vijf jaar) dat tafereel ooit verwerken? Dat zullen we nooit weten. Volgens een politieman zou Bidaoui ter plekke geroepen hebben: “Ik had haar ook in stukken moeten snijden, dan had ik zeker geweten dat ze dood was. Nu blijft ze misschien leven.”

Hij kan zich die woorden niet meer herinneren. “Ik heb haar vaker een pak slaag gegeven”, zegt hij, “nu was het kennelijk de laatste druppel.”

“Heeft u er achteraf wel spijt van?” vraagt de president.

“Ik geloof nog steeds niet dat het is gebeurd”, zegt hij.

“Wàt?” vraagt zijn eigen adocate, mevrouw mr. E. van Nieuwenhuizen, stomverbaasd.

“Het is wèl gebeurd”, zegt de president.

“Ik kon het niet geloven, tot de politie zei dat ze dood was.”

Een raadsheer confronteert hem met de getuigenis van het oudste dochtertje. Volgens haar zou hij, kijkend naar zijn kinderen, hebben gevraagd: “Zal ik dóórsnijden?”

“Dat weet ik niet meer”, zegt Bidaoui.

Volgens de psychiatrische rapportage is Bidaoui wel degelijk toerekeningsvatbaar. Hij lijdt niet aan psychische stoornissen, hij heeft hooguit een wat paranoïde inslag. De oorzaak van zijn problemen zoekt hij altijd bij anderen.

“Tegen mij zeg je heel andere dingen dan tegen de rapporteurs”, zegt zijn advocate. “Hoe zijn je nachten?”

“Ik ben niet meer normaal, ik ben lichamelijk en psychisch ziek.” Hij begint te huilen - de eerste keer tijdens de processen. “Mijn eigen vrouw is een kostbaar iets, en dat heb ik verloren.”

“Is het waar dat je dróómt dat je spijt hebt?”

“Ja.”

De procureur-generaal, mevrouw mr. P. Koolschijn, is niet onder de indruk van zijn huilpartij. Ze merkt op dat hij zonder tranen huilde. “Hij vertoont geen inzicht in zijn daden. Tegen de reclassering heeft hij zelfs gezegd dat het alleen van belang is dat zijn kinderen beseffen dat de moeder zelf schuldig was.” Ze gelooft dat hij volgens plan en niet in een opwelling heeft gehandeld, en daarom eist ze twaalf jaar voor moord.

“Er is maar één steekwond”, zegt de advocate, “dat pleit niet voor moord.” Ze acht alleen doodslag bewezen. Tegen de procureur-generaal zegt ze een beetje boos: “U mag niet zeggen dat het hem koud laat. Hij worstelt er dagelijks mee, hij droomt dat ze bij hem terugkomt.”

(Het arrest, twee weken later: voor doodslag een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht jaar.)

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.