Een onbetamelijke familieruzie binnen de Europese Unie

Tijdens hun top in Maastricht in 1991 kwamen de Europese leiders overeen de opvolger van Jacques Delors als voorzitter van de Europese Commissie uit hun midden te kiezen. Maar die plechtige belofte van solidariteit werd een familieruzie die het afgelopen weekeinde uitliep op het 'fiasco van Korfoe'. Dat heeft vragen opgeroepen over het selectieproces. Een reconstructie van tweeënhalf jaar rivaliteit tussen kleine en grote landen, van vrees voor het overwicht van Duitsland, en van de hersenkronkels en twijfels van één man: Ruud Lubbers.

Op de avond van 9 december 1991 kwamen de leiders van West-Europa in Maastricht bijeen voor de laatste onderhandelingen over een nieuw verdrag over de Europese politieke en monetaire unie. Tijdens het diner in het stadhuis van Maastricht kwam men te spreken over de toekomst van Jacques Delors, de visionaire en wispelturige Fransman die meer dan wie ook rond de tafel heeft bijgedragen tot de zaak van de Europese integratie. Delors' tweede termijn als voorzitter van de Europese Commissie zou aflopen aan het eind van 1992 en het was tijd om over een opvolger na te denken.

“Het moet een van ons zijn”, vond Felipe González, premier van Spanje, en daar was men het in het algemeen mee eens.

Vanaf de eerste maand van zijn ambtstermijn in 1985 heeft Delors zijn macht gestaag uitgebreid. Het afschaffing van de binnengrenzen in 1992, de Europese Economische Ruimte, het grote project voor de politieke en mometaire eenwording - alles droeg zijn onuitwisbare stempel. Delors was Mister Europa geworden. Zijn opvolger als voorzitter van de Commissie, zo vonden de leiders van Europa, moest uit hun rangen komen.

De voorzitter wordt gekozen in een unanieme beslissing van de twaalf regeringsleiders van de Europese Unie, daartoe bijeen in een geheime zitting die bekend staat als de Europese Raad. Het gesprek aan het diner in Maastricht leek een bezegeling van de kandidatuur van een van de leden of oud-leden van deze exclusieve club voor de hoogste baan in Brussel.

Maar die plechtige belofte van solidariteit is de volgende tweeëneenhalf jaar gedegenereerd tot een familieruzie die het afgelopen weekeinde uitliep op het fiasco van Korfoe, waar Groot-Brittannië een veto uitsprak tegen de Belgische premier Jean-Luc Dehaene. Dat heeft tevens vraagtekens geplaatst bij het hele selectieproces van de voorzitter van de Europese Commissie.

Het verhaal van de opvolging van Delors biedt een zeldzaam inkijkje in de wijze waarop Europa's leiders zaken doen. Het is een verhaal van rivaliteit tussen kleine en grote landen, van vrees voor het overwicht van Duitsland, en van de hachelijke positie van het Verenigd Koninkrijk binnen de Europese Unie - een feit dat wordt onderstreept door het besef bij premier John Major, zaterdagochtend, dat een isolement temidden van zijn Europese partners te verkiezen was boven het verlies van de steun van de Conservatieve 'Euro-sceptici' in Westminster.

Het is ook een verhaal over de hersenkronkels en twijfels van één man: Ruud Lubbers, de jongste en de langstdienende premier uit de Nederlandse geschiedenis, wiens hoop op een nieuwe carrière op het Europese toneel stukliep op de afkeer van bondskanselier Helmut Kohl van zijn houding ten aanzien van de Duitse eenheid.

Ten minste twee leiders die aanwezig waren op die top in Maastricht hadden de ambitie Delors op te volgen. De eerste was Lubbers, een miljonair uit een geslacht van Rotterdamse industriëlen. Het zwakke punt van de door jezuïeten opgevoede Lubbers was volgens een hoge EU-diplomaat zijn tendens tot koppigheid en een zelfopgelegde missie om “tegen de Duitsers op te staan”.

De tweede was Wilfried Martens, sinds lang premier van België, wiens enthousiasme voor de Europese politieke integratie in de late jaren tachtig de Britse premier Margaret Thatcher tot woede dreef. Martens, een bezonnen Vlaming, had als belangrijkste nadeel dat hij de Franse president François Mitterrand van zich had vervreemd door zijn verzet tegen diens plannen om het Europese Parlement permanent van Brussel naar Straatsburg te verplaatsen.

In de lente van 1992 liet Kohl, die het toen nog voor de wind ging na de eenwording van Duitsland, Martens weten dat hij de beste kandidaat was om de Commissie aan te voeren. Kohl had het jaar tevoren González een soortgelijke boodschap gestuurd. Maar Martens ging er terecht van uit dat González niet in staat zou zijn uit Madrid te vertrekken zonder dat dit tot de val van zijn socialistische regering zou leiden.

De zomer van 1992 bracht echter verandering in de berekeningen van alle betrokkenen. De Deense kiezers wezen in een referendum het verdrag van Maastricht af en stortten de Unie in een crisis. Plotseling kon men op het oog Delors niet meer zo makkelijk missen. Ondanks gemopper van Major werd Delors voor een derde ambtstermijn benoemd, zij het voor een bekorte termijn van twee jaar, die afloopt op 5 januari 1995.

Op dat moment bepaalden de clubregels van de EU dat de opvolger van Delors - een Franse socialist - een conservatief uit een kleine lidstaat moest worden. Als voorzitter van de Europese Volkspartij, de paraplu van de Europese christen-democraten, leek Martens een goede uitgangspositie te hebben. Hij had de juiste achtergrond (de Lage Landen) en hij kon rekenen op de steun van Lubbers, zijn meest voor de hand liggende rivaal. “Lubbers heeft mijn kandidatuur altijd verdedigd”, zegt Martens nu. “Hij zei: ik ben geen kandidaat als jij kandidaat bent.”

Intussen overwoog Sir Leon Brittan, de belangrijkste onderhandelaar van de EU op handelsgebied, al enkele maanden lang om een gooi te doen naar de functie. Hij werd formeel gevraagd aan de race mee te gaan toen tijdens een gesprek met Major in Downing Street, in de lente van 1993. Brittans kandidatuur maakte duidelijk weinig kans, maar gaf Groot-Brittannië een ruilobject in de komende onderhandelingen.

Tegen de herfst van 1993 was duidelijk dat Martens' kansen op de opvolging van Delors afnamen. Hij was een jaar eerder als premier afgetreden; zijn energie was na elf jaar goochelen met de Vlaamse en Waalse facties in een reeks van coalitieregeringen afgenomen. Zijn opvolger was zijn voormalige stafchef, de weinig bekende Vlaamse politicus Jean-Luc Dehaene.

Dehaene had politiek carrière gemaakt binnen de vakbondsvleugel van de christen-democraten. Hij stond bekend als “de doener”, “de loodgieter” en “het sleperspaard”. Ondanks zijn vulgaire taalgebruik, zijn sjofele arbeidersjasjes en zijn vettige haar werd Dehaene in de late jaren tachtig algemeen gezien als de stille kracht achter de premier.

Op 1 juli 1993 nam België het roulerende voorzitterschap van de EU van Denemarken over. De vooruitzichten waren mager: het Verdrag van Maastricht was in Groot-Brittannië nog niet geratificeerd en het Duitse Constutionele Hof had er nog geen oordeel over uitgesproken. Binnen de Unie trad verdeeldheid aan het licht over de GATT-besprekingen. Op 2 augustus bezweek het Europese wisselkoersmechanisme onder een golf van speculaties tegen de zwakkere munten, waardoor de lidstaten werden gedwongen een de facto zwevend wisselkoersmechanisme te scheppen.

Voor Dehaene kon het idee zich kandidaat te stellen voor het voorzitterschap van de Commissie niet onzinniger zijn. Zijn coalitieregering bleef gammel. Er dreigde arbeidsonrust. Er werd ook geroepen om een eind te maken aan het volgen van de D-mark, een stap die het Belgische anti-inflatiebeleid in gevaar zou hebben gebracht.

De “loodgieter” haalde zijn gereedschapstas te voorschijn en ontwierp plannen voor een “sociaal pact” - een akkoord tussen de regering, werkgevers en vakbonden - dat uiteindelijk neerkwam op het meest ambitieuze bezuinigingsprogramma van België sinds de Tweede Wereldoorlog.

Bondskanselier Kohl sloeg die ontwikkelingen in België met belangstelling gade. Zijn favoriete kandidaat, Martens, was er niet in geslaagd de steun van de Belgische regering te krijgen en Lubbers was voor hem taboe. De enige kandidaat die resteerde was Sir Leon Brittan, wiens denkbeelden over de vrije handel onaanvaardbaar waren voor Duitslands belangrijkste partner, Frankrijk.

Volgens een hoge Duitse functionaris raakte Kohl al snel onder de indruk van Dehaene's informele manier van doen, zijn energie en zijn politieke capaciteiten: “De Belgen zijn de meesters van het compromis wegens de hachelijke aard van hun land. Dat spreekt Kohl - zelf van aard een ritselaar - sterk aan.” Een speciale Europese Raad, bijeengeroepen in Brussel om de vestiging van meer dan tien nieuwe Euro-instellingen te bespreken, bood Kohl en Dehaene de gelegenheid hun betrekkingen aan te halen.

Kohl was er uitermate op gebrand het Europese Monetaire Instituut, de voorloper van een toekomstige Europese centrale bank, naar Frankfurt te halen. De vestiging van het EMI in de stad waar ook de Bundesbank zit werd gezien als het “absolute minimum” dat nodig was ter eliminering van de onwil van het Duitse publiek om de mark op te offeren voor een Europese munt. De Britten echter hielden vast aan Londen en Lubbers voerde campagne voor Amsterdam.

Een week voor de Brusselse top sprak Lubbers in de Duitse stad Münster een provocatieve toespraak uit. Hij suggereerde dat Duitsland zijn rol als “betaalmeester van Europa” overdreef. Volgens Lubbers was het onverstandig de belangen van de kleine landen in een politieke unie te negeren en voegde daaraan toe dat de Nederlandse gulden een even veilig “anker” was als de Duitse mark.

Kohl was woedend. Hij geloofde dat Lubbers de verschuivingen in de Duitse publieke opinie ten nadele van Maastricht en een Europese eenheidsmunt had onderschat - verschuivingen die ondermijnend dreigden te werken op zijn eigen historische missie, de integratie van het verenigde Duitsland in een geïntegreerd Europa.

De top in Brussel op 29 oktober 1993 opende met een stroom van speciale pleidooien, waarbij de Spanjaarden en de Britten het meest agressief optraden. “Dehaene was het toonbeeld van zelfbeheersing”, zo herinnert zich een deelnemer. “Hij zat doodstil en liet de anderen zich uitputten totdat ze beseften dat er [naast Frankfurt] geen keus was. Daarvoor heb je goede zenuwen nodig.”

Kohl was dermate onder de indruk dat hij Dehaene vroeg waarom hij niet overwoog zichzelf kandidaat te stellen voor de opvolging van Delors. De Belgische premier was verbijsterd. Een vriend herinnert zich dat hij zich niet kon voorstellen in dezelfde categorie als Delors te passen. Zijn aanvankelijke antwoord was de toepassing van zijn favoriete wapen: zwijgen.

De Duitse benadering was het resultaat van voorafgaand overleg met de Fransen. President Mitterrand was het met kanselier Kohl al eens geworden dat na Delors de christen-democraten aan de beurt waren om de Commissie te leiden. Edouard Balladur, de Franse premier, zei later tegen Franse journalisten dat hij de naam Dehaene voor het eerst had genoemd.

In die periode onderhield Lubbers zich met Kohl. “Hij vroeg me of ik belangstelling had voor de baan. Ik sloot die mogelijkheid niet uit”, zo herinnert de Nederlandse premier zich. “Hij vroeg me of ik Martens steunde. We werden het erover eens een (gemeenschappelijke) christen-democratische kandidaat te zoeken.”

Het gesprek werd bezegeld met een belofte de zaken in de lente opnieuw te bespreken. Lubbers deed niets om de indruk te versterken dat hij de baan wilde. Kohl echter kan Martens' naam bewust hebben laten vallen om Lubbers duidelijk te maken dat hij niet op de steun van Duitsland kon rekenen.

De gedachtenwisseling wijst op de complexe relatie tussen de twee. Kohl heeft Lubbers nooit erg gemogen en Lubbers heeft nooit veel op gehad met Kohl. Sommigen wijten dat aan de onbehaaglijkheid van de Nederlanders jegens hun Duitse buur en aan de herinneringen aan de nazi-bezetting.

Een hoge EU-diplomaat zegt dat Kohl Lubbers' manier van doen en zijn trekjes in de richting van onafhankelijkheid niet kan uitstaan. Iedereen is het erover eens dat de relatie tussen de twee onherstelbaar verzuurde tijdens de Duitse eenwording. In een opwelling van ergernis heeft Kohl later gezegd dat hij tegen Lubbers was omdat hij “egoïstisch, anti-Duits en een boekhouder” is.

Lubbers was niet de enige die twijfels koesterde aan de snelheid waarmee Kohl in 1989 en 1990 Oost en West probeerde te verenigen. Mitterrand en Thatcher deelden zijn zorgen. Maar het was de Nederlandse leider die zich het duidelijkst uitsprak tijdens een diner op de Europese top van Straatsburg in december 1989.

Lubbers begon toen met de opmerking dat er gevaren schuilen in het gepraat over zelfbeschikking en “het ene Duitse volk”. Het was niet mogelijk alle Duitsers in Europa te verenigen. Hij drong er bij Kohl op aan duidelijkheid te verschaffen over de Oder-Neisse-grens - Duitslands grens met Polen - om “geen verwachtingen te wekken” bij de Duitse minderheid in Polen.

Kohl antwoordde dat Duitsland voor de laatste oorlog had betaald met het verlies van eenderde van zijn grondgebied. Hij zou “honderd procent duidelijk” zijn over de Oder-Neisse-grens, maar wanneer hij dat zou doen was zijn eigen verantwoordelijkheid. Toen het diner eindigde bulderde - zo herinnert zich een deelnemers - Kohl Lubbers toe: “Je hebt de lessen van de geschiedenis nog niet geleerd.”

Op 10 januari 1994, de dag van de NAVO-top in Brussel, werd Lubbers opnieuw gevraagd of hij de baan in de Commissie wilde. Uit vrees dat Kohl ook hem opnieuw onder druk zou zetten om zich kandidaat te stellen gaf González een verklaring uit dat hij niet van plan was Madrid te verlaten en dat Lubbers zijn eerste keus was.

De volgende stap kwam van de Fransen. Lubbers weigerde opnieuw zich duidelijk vast te leggen, met als argument de onzekerheid die werd geschapen door de komende parlementsverkiezingen in Nederland.

Terugkijkend geeft Lubbers toe dat hij Bonn en Parijs in de kaart kan heben gespeeld door de indruk te wekken geen belangstelling voor de baan te hebben. Sterker, nu was Sir Leon Brittan druk doende zijn rol bij het bereiken van het GATT-akkoord uit te buiten: hij reisde de Europese hoofdsteden rond in de eerste openbare campagne voor de topbaan in Brussel.

Op 9 februari bezocht Martens Dehaene, die daarbij voor het eerst suggereerde dat hij dacht aan het voorzitterschap van de Europese Commissie.

Twee weken later drong de waarheid door tot Martens. Dat gebeurde toen hij Hamburg bezocht voor een congres van de christen-democraten. Kohl gaf aan dat hij wellicht Martens zou steunen voor de functie van hoofd van de christen-democraten in het Europese Parlement, na de dood van Bernard Saelzer, Kohls beschermeling. De bondskanselier voegde daaraan toe: “Ik begrijp niet waarom Dehaene geen kandidaat [voor het voorzitterschap van de Commissie] is, hij heeft het zo goed gedaan als voorzitter [van de Unie].”

De volgende dag, 23 februari, kwam Delors in Madrid bij González op bezoek. Hij vroeg de Spaanse premier of hij kandidaat was. Het antwoord was nee. “In dat geval wordt Dehaene het”, zei Delors, tot verbazing van González.

Kort daarop lekte nieuws over Frans-Duitse samenwerking ten gunste van Dehaene uit naar de Britse krant The Guardian. Het leek op een proefballon, waarmee de reacties van de andere lidstaten konden worden getest. De Belgische premier hield zich stil, al zeggen sommige bronnen dat hij niet was gewaarschuwd.

In april werd Lubbers wanhopig. Hij had zich formeel vastgelegd op Martens, maar achter de schermen voerde hij in de Europese hoofdsteden campagne voor zijn eigen kandidatuur. In het openbaar zei hij echter dat hij zijn bedoelingen duidelijk zou maken na de Nederlandse parlementsverkiezingen op 3 mei.

Lubbers' positie leek des te kwetsbaarder toen Peter Sutherland, het Ierse hoofd van de GATT en voormalig EU-Commissaris, aankondigde aan het eind van het jaar op te stappen. Hij suggereerde daarbij mogelijk belangstelling te hebben voor de baan bij de Commissie - om prompt te worden afgevallen voor de Ierse regering.

Enkele minuten nadat de uitslag van de parlementsverkiezingen bekend was gaf Lubbers opdracht per fax zijn kandidatuur officieel aan te kondigen. Hij trachtte in dat late stadium de gunst van Kohl te verwerven. In een toespraak in Aken prees hij Kohl als een staatsman met visie en zei hij zich niet te hebben verzet tegen de Duitse eenwording.

Achter de schermen liet Lubbers zich bitter uit over zijn vooruitzichten bij het krijgen van steun bij de EU-leiders, nu hij op het punt stond als premier af te treden. “Ze gooien me aan de kant als een oude sok”, zei hij.

Op dat moment kregen Frankrijk en Duitsland steeds meer vertrouwen in de vooruitzichten van Dehaene. Het lag voor de hand dat Kohl en Mitterrand (in het gezelschap van Balladur) het eens werden over de Belgische premier als gemeenschappelijke kandidaat toen ze elkaar in Mulhouse ontmoetten om hun standpunten te coördineren voor de Europese Raad in Korfoe.

Ze wilden een kandidaat kiezen die de Commissie niet zou leiden als een eigen machtsbastion, zoals Delors op het oog soms had gedaan.

Terugkijkend is duidelijk dat de Fransen en Duitsers hun hand overspeelden. Hoewel het niet ongewoon was dat Parijs en Bonn een gemeenschappelijk standpunt bepaalden leek het de rest van de Unie teveel op een Diktat. Die indruk won veld toen functionarissen de naam Dehaene lieten uitlekken, hoewel de Belgische premier zijn kandidatuur nog niet in het openbaar had aangekondigd.

Voor de Griekse voorzitter liepen de zaken uit de hand. De enige mogelijkheid om een ordinaire ruzie te voorkomen was een “pakket” waarin de baan in de Commissie kon worden behandeld als één in een reeks van topbanen in Europa. Onder de andere waren die van secretaris-generaal van de NAVO en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en die van de directeur-generaal van de Wereldhandelsorganisatie.

Daarvoor waren evenwel diplomatieke gaven - niet in het minst omdat veel van die banen buiten het exclusieve operatiegebied van de EU vielen - en politieke leiding nodig. Omdat Andreas Papandreou, de zieke 75-jarige Griekse premier, niet zo makkelijk op reis gaat viel de taak van het sonderen van de EU-partners toe aan Theodoros Pangalos, de onvoorspelbare minister van Europese zaken. Diverse leiders, onder wie Kohl en Mitterrand, vonden hem niet hoog genoeg om hem voor Korfoe te ontvangen.

Het was niet meer dan passend dat de slag om de opvolging van Delors een climax zou bereiken tijdens het diner van de twaalf regeringsleiders, net zoals de slag tweeëneenhalf jaar eerder aan het diner was begonnen. Ditmaal waren ook de leiders van Oostenrijk, Finland, Zweden en Noorwegen erbij, de vier landen die volgend jaar tot de Unie willen toetreden.

De slag speelde zich nu af tegen de achtergrond van het Achilleon, een opzichtig negentiende-eeuws paleis, gebouwd voor keizerin Elizabeth van Oostenrijk. Op een bepaald moment werden Dehaene en Lubbers uitgenodigd te vertrekken. Ze werden vervangen door hun plaatsvervangers, de Belgische minister van buitenlandse zaken Willy Claes en de Nederlandse minister van financiën, Wim Kok.

Major opende met een uiteenzetting ten gunste van Sir Leon Brittan. Kok pleitte voor Lubbers en Claes voor Dehaene. De zichtbaar verzwakte Papandreou verbaasde vervolgens iedereen door aan te dringen op een onmiddellijke geheime stemming. Het was de tweede keer in de geschiedenis van de EU dat een formele stemming de plaats innam van de gebruikelijke discussie ter verkrijging van consensus.

Acht landen gaven een voorkeur voor Dehaene te kennen: Frankrijk, Duitsland, Denemarken, België, Griekenland, Ierland, Luxemburg en Portugal. Drie stemden er op Lubbers: Nederland, Spanje en Italië. Sit Leon kreeg de eenzame Britse stem.

Vlak voor middernacht ging Papandreou naar bed. De bijeenkomst werd beëindigd. Binnen een kwartier werd het gesprek echter hervat onder voorzitterschap van Pangalos.

Major zat aan het eind van de tafel, ver weg van Kohl en Mitterrand. “Hier komen we vanavond niet uit”, waarschuwde hij. “Ik zal niet instemmen met Dehaene, al is de stemming elf tegen één.”

Andere regeringsleiders trachten Major te overtuigen in te binden, maar hij was niet te vermurwen. De functie van voorzitter van de Europese Commissie was “een van de belangrijkste ter wereld”, zei hij. “Voor de zoveelste keer: ik zal Dehaene niet steunen.” Kok vroeg waarom Kohl tegen Lubbers was. “Dat hoef ik niet toe te lichten”, aldus de Duitse bondskanselier. Kok dreigde daarop weg te lopen.

President Mitterrand, een veteraan van meer dan twintig Europese Raden, merkte op een oplossing duidelijk niet snel kon worden bereikt. Kohl, die zoveel had gedaan om zijn beschermeling Dehaene te steunen, keek over de tafel heen. “We hebben nieuwe kandidaten nodig”, zei hij.

© Financial Times/NRC Handelsblad