Bloedernstig geloof in een monster van draad en staal

Holland Festival. Max Brand: Maschinist Hopkins. Semi-concertante uitvoering door Groot Omroepkoor en Radio Symfonie Orkest olv Reinbert de Leeuw, met Michael Myers (Bill), Suzanne Murphy (Nell), Henk Smit (Hopkins) en vele anderen. Gehoord 27/6 Concertgebouw Amsterdam

Een aria van de hoofdschakelaar als onderwerp voor een gezellig personeelsfeestje? Niet in het Holland Festival, waar een bloedernstige Zeitoper van Max Brand zijn Nederlandse première beleefde: Maschinist Hopkins, waarin tandraderen, zuigers en transmissies spreekzingend worden opgevoerd als een soort fantastische fabelwezens. In de machinehal van de Amerikaanse Lixtonfabriek glimmen in een nachtelijke scène 'gladde stukken metaal, naakt, als een boos oog'. Op 13 april 1929 werd de opera voor het eerst opgevoerd in het Stadstheater van Duisburg, midden in het Ruhrgebied, waar anders? Maar ook buiten het industriegebied veroorzaakte de monstrueuze opera sensatie, tot in de Oekraïne toe. Nadat Brands tweede opera door de nazi's was verboden en de componist via Praag en Zwitserland naar Brazilië was gevlucht om zich uiteindelijk in de Verenigde Staten hoofdzakelijk te wijden aan electronische muziek (hij overleed in 1980 in Langenzerdorf bij Wenen), raakte hij geheel in de vergetelheid, totdat in 1973 een concertante heropvoering in Graz weer de aandacht op Brands futuristische opera vestigde. Ongeveer tien jaar later waagde de opera van Bielefeld zich zelfs aan een scènische opvoering.

Maschinist Hopkins herinnert aan films zoals Metropolis van Fritz Lang, maar ook aan Chaplins persiflerende Modern Times en vaak moest ik denken aan het Monster van Frankenstein. Een fragment ter adstructie: Nell (trillend): “Ah”; Bill (gesmoord): “Wat schreeuw je?”; Nell (met ontzetting): “Iets pakte me vet en koud bij mijn nek”; Bill (nerveus): “Je raakte een stang aan. Kom!”; fluisterstemmen: “Ze zijn bang...” En natuurlijk gebeurt er iets vreselijks, niet voor niets sissen en dreigen al die machines. Bill en Nell trachten de produktiegeheimen te stelen, maar worden betrapt door Jim, die in een gevecht door de machines wordt vermorzeld. Als Bill later een glanzende carrière als groot-industrieel maakt, ontdekt Machinist Hopkins door Nell uit te horen Bills verleden. Ten slotte komt het als in een goedkope tv-thriller tot een treffen in weer een nachtelijke machinehal, zoals het drama is begonnen, maar nu is het niet een stengun die rechtdoet, maar de hoofdschakelaar die ingrijpt.

Zolang Brand in allerlei gradaties het koor laat fluisterzingen, weet hij te overtuigen en ook het op gang brengen van de machinerie in een pompende puls is indrukwekkend, zij het afgekeken van Mossolovs Staalgieterij. Daarin schuilt de moderniteit van deze opera, veel minder in de spaarzaam gedoseerde twaalftoonstechniek. Er is een zin tot experimenteren, maar de moderniteit moet functioneel zijn, want alles stond bij deze bevlogen theaterman in dienst van het emotionele pakkende effect, waarbij de grofste middelen niet worden geschuwd. Als een vampier zoog Brand anderen uit: Schönberg en Berg, Strauss en Schreker, zelfs Borodin en Puccini. Er klinken zoals dat in Zeitoper hoort ook 'actuele' dansen als shimmy, black bottom en tango, maar monstrueus opgeblazen: onschuldige dansmuziek, donderend dreunend als een apocalyptische Mahler.

Had Brand nog iets persoonlijks te bieden? Ik heb er lang over moeten nadenken. De instrumentatie is niet oninteressant, met een voorkeur voor lage instrumenten, Brand is meer gesteld op Engelse hoorn en fagot dan op fluit en hobo. Ook de behandeling van de in wezen eenvoudige melodieën - soms echte meezingers - in chromatische klankvelden kan boeien, zijn muziek is plakkaatachtig hard gesneden, in snelle overgangen van tonaal naar atonaal. Maar het is wel een kunst van compromissen, Brand is een alleseter die niet echt kiest.

Reinbert de Leeuw geloofde in het monster, en koor en orkest - gehuld in expressionistische lichteffecten en met een spaarzame onderstreping van de handeling - gaven zich volledig. Dat betekende voor de solisten soms geen sinecure. Bas-bariton Henk Smit als machinist was echter zonder zich te forceren niet alleen verstaanbaar, maar bleef ook qua klankschoonheid overtuigend. De fraai getimbreerde Ierse sopraan Suzanne Murphy als de aan lager wal geraakte Nell beviel mij evenzeer, zich quasi-koel sparend voor de emotionele piekmomenten verdeelde zij haar krachten doeltreffend. Maar vooral haar rol, die in de eerste helft herinnert aan Richard Strauss en later aan met name Alban Bergs Lulu, bracht mij op de gedachte dat Brand ons vooral leert hoe persoonlijk en krachtig Strauss en Berg componeerden.