AOW wordt onbetaalbaar

Sinds het electorale succes van de bejaardenpartijen zijn koopkrachtverliezen van AOW'ers en bezuinigingen op de collectieve uitgaven voor ouderenzorg in politiek Den Haag in rap tempo taboe-onderwerpen geworden. Vooral de symboolwaarde van de AOW, met een straatlengte voorsprong onze populairste sociale verzekering, valt niet te onderschatten. Bij de financiële oudedagsvoorziening kent Nederland al sinds lang een basis- of ministelsel. Collectief is slechts een uitkering op het minimumniveau verzekerd (de AOW). Particuliere pensioenen, lijfrenten en dergelijke vullen deze basisuitkering voor verreweg de meeste Nederlanders aan.

Van meet af aan was het de bedoeling dat de AOW welvaartsvast zou zijn. De uitkering zou elk halfjaar worden aangepast aan de stijging van de cao-lonen in de voorafgaande periode. Dit mechaniek heet de 'koppeling'. Van tijd tot tijd zou bovendien worden bezien of de AOW extra moest worden verhoogd om ouderen ten volle te laten meedelen in de nationale welvaartsgroei. Het koppelingsmechaniek is echter al vijftien jaar defect. Achtereenvolgende kabinetten hebben de AOW 'ontkoppeld'. Het nationale basispensioen is sinds het begin van de jaren tachtig in totaal met 22 procent verhoogd. Na 1980 stegen de cao-lonen dubbel zo snel, in totaal met 44 procent. De feitelijk verdiende lonen gingen nog meer omhoog, doordat velen promotie maakten of periodiek salarisverhoging ontvingen. Het voorspelbare gevolg was dat de AOW-uitkeringen steeds verder achterop zijn geraakt bij de verdiende lonen. De welvaartsvastheid van de AOW blijkt een illusie te zijn.

In de komende kabinetsperiode zal de kloof tussen AOW en verdiende inkomens alleen maar wijder worden. Bij becijferingen voor de paarse coalitie is het Centraal Planbureau er namelijk van uitgegaan dat de koppeling slechts voor de helft wordt toegepast. Deze gedeeltelijke ontkoppeling bewijst dat de betaalbaarheid van de AOW geen probleem van de volgende eeuw is. De vergrijzing van Nederland is inderdaad al tijden aan de gang. Toen de AOW in 1957 werd ingevoerd, telde ons land minder dan een miljoen bejaarden. Inmiddels zijn het er meer dan twee miljoen. Het draagvlak voor de premieheffing brokkelt niet alleen af, doordat in verhouding minder premiebetalers moeten opdraaien voor de financiering van de AOW. Het deel van het nationaal inkomen waarover premie wordt betaald, staat eveneens onder druk.

De premie voor de AOW wordt sinds 1990 geheven over het belastbare inkomen voor zover dat valt in de eerste schijf van het inkomstenbelastingtarief. Die schijf is ongeveer 43.000 gulden lang. Dit premiedraagvlak is versmald, doordat de schijf de afgelopen jaren onvoldoende is verlengd om rekening te houden met de geldontwaarding. Op inkomenspolitieke gronden heeft het derde kabinet-Lubbers er van afgezien de inflatiecorrectie' volledig toe te passen. Het premiedraagvlak kalft bovendien af doordat de inkomensverschillen sinds tien jaar toenemen. Steeds meer Nederlanders springen hierdoor van de eerste in de tweede tariefschijf. Over de top van hun inkomen betalen zij dan geen premies voor de volksverzekeringen meer. Wordt het nationale basispensioen ooit weer welvaartsvast? Dat is - gelet op de voortgaande vergrijzing - hoogst onwaarschijnlijk.

De directie van het op een na grootste pensioenfonds van Nederland, het PGGM, waarbij hoofdzakelijk werkgevers en werknemers uit de zorgsector zijn aangesloten, ziet de toekomst van de AOW veel zonniger in. Vanuit het oogpunt van de financiering is er geen reden de betaalbaarheid van de AOW sterk in twijfel te trekken, aldus het Jaarverslag 1993. Bij het PGGM is men vurig voorstander van herstel van de welvaartsvaste koppeling van de AOW. Waarom maakt de top van het fonds zich zo druk over het staatspensioen? De verklaring is niet ver te zoeken. Het achterblijven van de AOW leidt tot hoge extra lasten voor de pensioenfondsen. Dat zit zo.

De meeste aanvullende pensioenen zijn georganiseerd als eindloonregeling. De werknemer die veertig jaar heeft deelgenomen bouwt doorgaans een pensioen op dat gelijk is aan zeventig procent van zijn laatstgenoten salaris ('eindloon'). Het pensioenfonds houdt rekening met de AOW-uitkering en vult deze aan tot zeventig procent van het laatste salaris. Bij de pensioenen die zijn georganiseerd als eindloonregeling was de afgelopen vijftien jaar sprake van oplopende uitkeringslasten, doordat de AOW zo sterk achterbleef bij de verdiende lonen. De collectieve bodem onder het pensioengebouw is als gevolg van de ontkoppeling van de AOW al jaren aan het verzakken. Werkgevers en pensioenverzekeraars moeten hierdoor een steeds bredere pensioenkloof overbruggen om een pensioenresultaat uitgedrukt in het eindloon te kunnen uitkeren.

De afgelopen vijftien jaar konden veel fondsen de extra lastenstijging nog goed aan, doordat hun beleggingsrendementen uitstekend waren. Die gouden tijden zijn - naar het zich nu laat aanzien - voorlopig voorbij. Sommige pensioenfondsen willen daarom naar een pensioenformule toe die minder steunt op de feitelijke hoogte van de AOW. De andere mogelijkheid is de collectieve bodem van de aanvullende pensioenen op te krikken, door de welvaartsvastheid van de AOW te herstellen. Dat is waarvoor de PGGM-top pleit. Het is een pleidooi dat in Den Haag geen gehoor zal vinden. Anders dan deze pensioenverzekeraar de lezers van zijn jaarverslag wil doen geloven, is de betaalbaarheid van de AOW wel degelijk een nijpend probleem. Niet alleen straks, maar al sinds een jaar of vijftien. Wie dat feit ontkent, sluit zijn ogen voor de pensioenrealiteit en wekt valse verwachtingen bij huidige en toekomstige generaties van gepensioneerden.