Winst Nom daalt naar 3,5 miljoen

GRONINGEN, 27 JUNI. De Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij (NOM) heeft vorig jaar een netto winst geboekt van 3,5 miljoen gulden, bijna de helft minder dan in 1992. In dat jaar bedroeg de winst nog 8,1 miljoen. Het resultaat was minder goed dan aan het begin van dit jaar werd verwacht. Drs. K. Keestra, plaatsvervangend directeur van de NOM noemde het winstcijfer overigens “respectabel”. Voor dit jaar wordt geen hogere winst verwacht, omdat winstgevende verkopen van aandelenpakketten op korte termijn niet in het vooruitzicht liggen, aldus Keestra.

De NOM heeft ruim zes miljoen extra voor voorzieningen gereserveerd om tegenvallers te kunnen opvangen. Het financieringsbedrijf van de Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij, die gisteren haar 20-jarig bestaan vierde, verstrekte aan 23 ondernemingen (vijftien nieuwe, acht bestaande financieringen) 41 miljoen aan risicodragend kapitaal. Aan 21 kleine ondernemers werden voor 2 miljoen stimulerings- en innovatiekredieten verleend. Het totaal van 43 miljoen is aanmerkelijk hoger dan in 1992, toen aan 27 miljoen risicodragend kapitaal werd verstrekt voor een bedrag van 27 miljoen gulden.

Het acquisitiebedrijf boekte meer succes dan in 1992, toen geen enkele buitenlandse onderneming kon worden aangetrokken. Vorig jaar vestigden zeven ondernemingen uit Japan, de Verenigde Staten, Taiwan en Finland zich in Noord-Nederland. Twee buitenlandse ondernemingen breidden zich uit. Het totaal geïnvesteerd vermogen bedroeg meer dan 250 miljoen. De vestigingen leveren meer dan 450 directe arbeidsplaatsen op.

De nieuwe NOM-directeur drs. F. Migchelbrink, die A. van der Hek opvolgde, betoogde dat de NOM in haar 20-jarig bestaan direct betrokken was bij het scheppen van 50.000 van de in totaal 500.000 arbeidsplaatsen die er in die periode bijkwamen. “De NOM is niet meer weg te denken uit het noorden.” Hij pleitte voor meer samenwerking met de Kamers van Koophandel, innovatiecentra, Instituten voor Midden- en Kleinbedrijf onder meer op het gebied van acquisitie.

Migchelbrink constateerde een licht herstel van de conjunctuur en wees hierbij onder andere naar een stabilisering van het aantal uitzenduren en een afname in de groei van faillissementen. Het economisch herstel zal in Noord-Nederland volgens hem echter “nog trager” doorzetten dan in de rest van het land.