Wereldpremière twee Chinese kameropera's groot succes in Holland Festival; Oedipus en de Gek: verachte visionairen

Voorstelling: kameropera's van Qu Xiasong (The Death of Oedipus) en Guo Wenjing (Wolvendorp) door Nieuw Ensemble o.l.v. Ed Spanjaard, m.m.v. o.a. Romain Bischoff (Oedipus), Nigel Robson (Gek). The Death of Oedipus: decor en kostuums: Jeroen Henneman; regie: Mark Timmer. Wolvendorp: decor en kostuums Paul Gallis; regie: Gijs de Lange. Gezien 24/6 Westergasfabriek Amsterdam.

Op het eerste gezicht lijken alle Chinezen op elkaar. Maar wie met een zekere regelmaat in een Chinees restaurant zijn eten afhaalt, weet wel beter. Zo lijken de Chinese composities in het Holland Festival op elkaar, althans op het eerste gehoor, want wie het afgelopen weekeinde in de Amsterdamse Westergasfabriek luisterde naar de zeer succesvolle wereldpremières van de kameropera's The Death of Oedipus en Wolvendorp weet nu beter.

De muziek van Qu Xiasong neigt naar het abstracte, het zijn schoongewassen, spaarzame klanken, overwegend eenstemmige muziek, ter ondersteuning van een boedhistisch leerstuk waarin The Death of Oedipus uitmondt, terwijl Guo Wenjing als het water knarsetandende stemmingsbeelden vol gruis en ruis levert, spookachtig geladen, een gruwelijk verhaal over een dorp van menseneters. Het verschil is werkelijk frappant, zoiets als tussen Debussy en Schönberg!

Hoe verschillend de opera's ook zijn, ze hebben gemeen dat telkens één figuur centraal staat (Oedipus en de Gek), die de tegenspelers min of meer tot bewegende requisieten degradeert. Het zijn verachtelijke figuren, uitgestotenen, maar ook 'aangeraakten', visionairen. Oedipus, de blinde zwerver vindt rust na een lange lijdensweg in aanvaarding van zijn ellendig lot, - een uitgesproken boedhistische visie. De freudiaanse kant van Sophocles' tragedie (Oedipus die zonder het te weten zijn vader doodt en met zijn moeder trouwt) speelt in deze opera geen rol.

Enigszins vergelijkbaar hiermee is hoe de hoofdfiguur uit Lu Xun's verhaal Het Dagboek van een Gek zijn dochtertje opeet, ook hij beseft dat pas later. De menseneters vormen een metafoor voor een samenleving, waarin men elkaar zonder pardon naar het leven staat: “Al 4000 jaar worden hier mensen gegeten. Nu begrijp ik: het is moeilijk een echt mens te vinden.” Als Oedipus opkomt huilt hij als eenzame wolf en in het begin van Wolvendorp huilt een hond. Deze zet de Gek aan het denken: “Wat wil hij van mij?” vraagt hij zich af, - paranoia slaat toe.

Een van de saillantste momenten in de opera over Oedipus' laatste ervaringen vormt de ontmoeting van Oedipus met zijn dochters: een scène als van drie huilende wolven, huilend van ontroering: wu-wu-wu. Vooral op zo'n moment voel je de botsing tussen culturen: het Griekse drama verteld in Chinese emoties. Opvallend is het koor van vier gonzende bassen in een echo van Tibetaanse monnikenzang. Grieks, Chinees, Tibetaans, het kon niet op, en soms leek het door de vocale duetten in Britten-stijl, alsof Oedipus niet in Lhasa, maar in Londen rondzwierf.

Al die botsende stijlen worden verenigd in Xiasong's streven om met slechts een enkele toon spanning op te roepen. Slagwerk met piano links en slagwerk met harp rechts leveren essentiële bijdragen. Alsof één en dezelfde toon door het ensemble heenwandelt, van basklarinet over contrabas naar een lage snaar in het binnenwerk van de piano, wordt dáárin de meeste expressie bereikt. Als een bemiddeling tussen de westerse (piano) en oosterse (luit) cultuur.

Helaas werkt het niet altijd. De idyllische harp ter illustratie van de zin Is not love better than hatred? bij voorbeeld is wel heel naïef uitgevallen. En als rivaal Kreon verschijnt, die tevergeefs Oedipus tracht te paaien, kan een boosaardige lage klank geen effect meer sorteren: die is inmiddels al te vaak gebruikt.

Ook Guo Wenjing heeft in zijn opera zo'n 'supersignaal', bij hem is dat de gitaar en ook hier gaat het slechts om enkele uiterst suggestieve tonen. Maar dit keer dan wel ingebed in een veel rijker klankgemiddelde, bovendien theatraal ook overtuigender uitgewerkt. Schitterend is de tweede scène, waarin de gek zich ontpopt als een geleerde. Als hij achter de glimlach van de mensen hun moordzucht voelt, tanden ziet glinsteren in het donker, zoekt hij steun in een boek over menselijkheid, rechtvaardigheid, deugd en moraal.

Tussen de regels leest hij: “Menseneten” en in realistische nachtgeluiden hoor je zijn hart bonzen. Er verschijnt een geest, de stem van zijn gestorven zusje, want moet onze hoop niet gevestigd worden op kinderen die geboren worden zonder zucht naar moorden? Voordat de Gek met geweld in een Wozzeck-achtige scène een medicijn krijgt toegediend weet hij: “In de toekomst zal er op aarde geen plaats meer zijn voor menseneters.” Maar aan het eind laat de schrijver ons anno 1918 delen in zijn twijfels over China's toekomst.

Wenjing's muziek is minder versnipperd dan die van Xiasong, met lange episodes in hardnekkig herhaalde ritmen die spanning oproepen als in Bartók's Sonate voor twee piano's en slagwerk, stuwende muziek, motorisch beweeglijk. Sterk is de scène waarin de Gek ontdekt, dat hij vermoedelijk zijn zus consumeerde, geesten huilen in de verte. Opvallend is een fraaie piccolo-solo, die helaas te schetsmatig bleef. Ik schat Wenjing's muziek hoger in, maar ik waardeer de risoco's die Xiasong nam in zijn zichzelf opgelegde gepenseelde stijl.

Ed Spanjaard en het Nieuw Ensemble hebben er alles aan gedaan om van de kameropera's een succes te maken. Bewonderenswaardig was vooral dat drie Chinese zangers een uur lang in een volstrekt onbekende taal zongen. Dat de Engelse tenor Nigel Robson als de Gek steun vond in eerdergenoemd boek met een ingeplakte partituur was mooi meegenomen. Zijn Nederlandse collega, de bariton Romain Bischoff, beviel me overigens als Oedipus nog meer. Een uitstekende bijrol tenslotte was weggelegd voor Elena Vink, als de geest, hallucinerend fraai gezongen.