Opera-ensceneringen ook lichttheater

Drie Nederlandse regisseurs brachten in het Holland Festival hun eerste operaproduktie, een uniek feit in een land waar operaregisseurs vrijwel altijd worden geïmporteerd. Lidwien Roothaan regisseerde Freeze van Rob Zuidam, een al eerder besproken produktie die in het begin van het Festival werd gepresenteerd en toen al was vertoond in München en Braunschweig. Mark Timmer en Gijs de Lange regisseerden elk een Chinese opera in het dubbelprogramma The death of Oedipus/Wolvendorp dat vrijdag in première ging en gisteravond alweer voor het laatst was te zien. Zo lovenswaardig als het was om deze Nederlandse regisseurs aan het werk te zetten, zo betreurenswaardig is het dat het Holland Festival beide voorstellingen slechts drie keer vertoonde.

The death of Oedipus werd gespeeld in een vrijwel geabstraheerd zwart/wit decor en zwart/witte kostuums en maskers, ontworpen door tekenaar/schilder Jeroen Henneman. De wisselende belichting met slechts één lamp op een bewegende kraan terzijde zorgde voor subtiele intensiteitsnuances in de zwarte schaduwen en op de witte vlakken. De beweging in het optreden van de gemaskerde personages in hun kostuums met geschilderde details was uiterst sober en elementair, ook in de symmetrische positionering op het strikt formele af.

Daarmee was deze uiterlijk prachtige en dramatisch sterk werkende enscenering van The death of Oedipus een rechtstreeks vervolg op de legendarische door Harry Wich vormgegeven voorstelling van Strawinsky's Oedipus Rex in het Holland Festival van 1982. Henneman en Timmer leken zich in hun uitwerking van de opera van Qu Xiaosong nauwgezet te hebben gehouden aan Strawinsky's extreme wensen voor zijn Oedipus: een minimum aan zichtbare expressie van de personages, die moeten optreden als levende standbeelden - de muziek en het spaarzame gebaar moeten verder het werk doen en die deden dat ook hier.

Haaks op die opvatting stond de naturalistische en verhalvende uitwerking van Gijs de Lange in Wolvedorp, uitstekend passend bij het hallucinerende gegeven. Het decor van Paul Gallis bestond uit twee lagen: boven het aan een paar kettingen hangende huis van de Gek, met een - merkwaardig genoeg - Japanse esthetiek door papieren wanden en een vloer van vierkante open roosters. Daaronder bevond zich een met musici bevolkte straat, waar de Gek allerlei voorbijgangers tegenkomt. In de scène waarin de Gek hen ziet als honden, werden hun gezichten fel en onheilspellend belicht door lampen op de grond. Thuis worden de inbeeldingen begeleid door een wonderlijk blauw licht.

In beide operavoorstellingen maakten de in 'normaal' theater ervaren regisseurs wel gebruik van exotische visuele elementen en referenties aan oosterse speelwijzen, zonder echter een stijl-imitatie te willen leveren. Deze onmiddellijk zeer geslaagde eerstelingen op operagebied verdienen zeker meer voorstellingen en ambitieuze vervolgopdrachten. Opvallend bij Timmer èn De Lange was de perfecte en innovatieve belichting van Reinier Tweebeeke, een even opvallend en belangrijk element in deze muziektheatervoorstellingen als het zingen. Op één avond was hier meer lichttheater te zien dan in hele seizoenen in het Amsterdamse Muziektheater.