Kans op teruggave Koenigs-collectie steeds kleiner

Drie jaar geleden bracht de Oekraïense journalist Konstantin Akinsha het bestaan van geheime Russische depots vol met uit het Westen geroofde kunst in de openbaarheid. Inmiddels lijkt de kans op teruggave van de kunstwerken, waaronder de Koenigs-collectie waar Nederland aanspraak op maakt, steeds kleiner te worden.

KIEV, 27 JUNI. De verwachtingen waren hoog gespannen toen president Boris Jeltsin in mei van dit jaar een officieel bezoek aan Duitsland bracht. Bondskanselier Helmut Kohl hoopte dat Jeltsin uit Rusland de verzameling oude boeken zou meenemen die in 1946 uit de bibliotheek van Gotha was ontvreemd, evenals de tekeningencollectie die vlak na de oorlog uit de Bremer Kunsthalle was verdwenen. Groot was Kohls teleurstelling toen bleek dat Jeltsin en zijn minister van cultuur, Jevgeni Sidorov, met lege handen in Bonn aankwamen.

De Russische toezeggingen over de teruggave van na de Tweede Wereldoorlog uit bezet Duitsland meegenomen kunst zijn al oud. Maar nog steeds zijn ze niet ingelost. In de Duitse pers is het optimisme van twee jaar terug verdwenen. Men maakt zich zorgen over de verhardende houding van de Russen, die afgelopen week nog eens aan het licht trad tijdens een zitting van de Federatieraad van het Russische Parlement over de kwestie. De zaak krijgt steeds meer een politieke lading.

Extreem-rechtse nationalisten en communisten in Rusland beschouwen de ongeveer 500 duizend kunstwerken die het Rode Leger aan het eind van de Tweede Wereldoorlog uit bezet Duitsland naar de Sovjet-Unie overbracht, als symbool voor de overwinning van het Rode Leger op de troepen van Hitler. Het aanzien van Rusland als overwinnaar in de Tweede Wereldoorlog zou in het geding zijn.

Vlak voor het vertrek van Jeltsin naar Duitsland demonsteerden nationalisten en communisten in Moskou tegen de teruggave van de 'kunsttrofeeën'. Men vreesde dat Jeltsin stiekem de kostbare boekverzameling uit Gotha als presentje naar Duitsland zou meenemen. De boeken lagen klaar om overgevlogen te worden, beweerde de communistische Pravda. Maar hun overtocht zou op het nippertje - na zwaar verzet - zijn afgeblazen.

Tot droevenis van onder anderen de Duitse minister van buitenlandse zaken, Klaus Kinkel, die als voorzitter van de Duitse Commissie voor de restitutie van oorlogsschatten op 23 maart juist van de Russen de belofte had gekregen dat Duitsland de Gotha-boeken zou terugkrijgen. De Russische minister van cultuur Sidorov had Kinkel bij die gelegenheid al vijf zestiende-eeuwse drukken uit Gotha geschonken. Twee maanden later leverde dit gebaar Sidorov in het Russische parlement de beschuldiging op dat hij het nationale erfgoed verkwanselde.

Nog voor het bezoek van Kinkel aan Rusland en voordat de Duitse en Russische Restitutie Commissies op 23 maart bijeenkwamen, had het ministerie van Cultuur in het geheim het Instituut voor Juridische en Staatkundige aangelegenheden van de Russische Academie voor Wetenschappen opdracht gegeven om de wettelijke status van kunsttrofeeën te onderzoeken. De juristen stelden een document op, waarin zij stelden dat vrijwel alle kunsttrofeeën op legale wijze uit het bezette Duitsland naar de Sovjet-Unie waren overgebracht. Van kunstroof was geen sprake geweest, er had een wettelijke overdracht van bezittingen plaatsgevonden.

Volgens dit document, dat nooit aan de Duitse onderhandelaars is getoond, hadden de geallieerde strijdmachten de sovjets toestemming gegeven uit de door hen bezette zone alles mee te nemen wat ze wilden. De juristen verwezen naar een vergadering van de geallieerden die op 17 april 1946 zou hebben plaatsgevonden. “Unieke voorwerpen” die de Sovjet-Unie in de bezettingsjaren verloren had, zouden gecompenseerd mogen worden.

In werkelijkheid is zo'n beslissing nooit genomen, omdat de sovjets altijd weigerden om een lijst over te leggen met kunstschatten die ze al naar de USSR hadden overgebracht. In april 1946 was een enorm deel van het Duitse kunstbezit al in het geheim naar Moskou, Kiev en Leningrad vervoerd.

Het juridische document, bedoeld voor intern gebruik van de Restitutie Commissie maar niettemin uitgelekt, erkent slechts drie categorieën van kunst die in theorie teruggegeven moet worden: eigendom van kerken, van liefdadige organisaties en kunst die geroofd is door particulieren.

De ultra nationalist Aleksander Sevastijanov, bestuurslid van de Vereniging van bibliotheken, musea en archieven, publiceerde onlangs uittreksels van het juridische document in de als liberaal bekend staande Nezavizimaja Gazeta. Sevastijanov stelt voor een speciale wet op te stellen voor de trofeeënkunst. Ook raadt hij aan een deel van kunst te verkopen op de internationale markt om aan deviezen te komen. Teruggave zou “de derde plundering van Rusland betekenen in honderd jaar tijd” (de eerste vond plaats onder de bolsjewieken, de tweede onder de nazi's).

Wat betreft de Koenigs-collectie - de verzameling van ongeveer 500 oude tekeningen, die door de Duitsers van de Rotterdamse havenbaron mr. D.G. van Beuningen werd gekocht en later door het Rode Leger naar de Sovjet-Unie werd meegenomen - adviseert Sevastijanov de Nederlandse overheid om met de Duitse regering in overleg te treden in plaats van met de Russische overheid. Duitsland moet de collectie maar voor de Nederlanders kopen van Rusland, vindt Sevastijanov, of ruilen tegen iets waardevols.

Sevastijanov verwoordt de ideeën van de rechtse vleugel in het Russische parlement, maar zijn politieke invloed is vooralsnog betrekkelijk gering. Dat is echter niet het geval met Irina Antonova, de machtige directrice van het Poesjkin-museum in Moskou, die vijftig jaar lang onder andere de Koenigs-collectie en het Goud van Troje in de depots van haar museum verborgen hield. In een artikel onder de titel 'Wij zijn niemand iets verschuldigd' - gepubliceerd aan de vooravond van Jeltsins vertrek naar Duitsland - schaart zij zich achter Sevastijanovs standpunt dat het vroegere Duitse kunstbezit “legaal” naar de Sovjet-Unie is vervoerd, “overeenkomstig de orders van de Geallieerde Troepen en de sovjet-regering.”

Antonova stelt voor een wet in te voeren die bepaalt dat alle kunstwerken in Russische musea, ongeacht hun herkomst, eigendom zijn van Rusland. Als deze wet het Russische Parlement passeert, hoopt Antonova dat geen enkel oorlogskunst-voorwerp terug hoeft te gaan naar het land van herkomst.

Om haar argumenten kracht bij te zetten heeft Antonova eind mei een krachtige lobby opgezet in de Federatieraad van het Russische Parlement die bekend staat om zijn rechtse en communistische sympathieën. Vorige week heeft de Raad een hoorzitting gehouden over de 'juridische status en de bewaring van verplaatste cultuurgoederen'. De zitting resulteerde in een aansporing aan Jeltsin, alles in het werk te stellen om de teruggave van kunsttrofeeën te verhinderen. Minister Sidorov, die tijdens de zitting slechts met moeite het woord kreeg, bepleitte niettemin Duitsland een deel van de Bremer-collectie en de Gotha-bibliotheek terig te geven.

De Staatsdoema werd dringend geadviseerd een wet uit te werken die de juridische status van dergelijke kunst vastlegt. Als voorbeelden van belangrijke kunstverzamelingen die Rusland de afgelopen jaar dreigde te verliezen, noemden de parlementsleden de Koenigs-collectie, de boekencollectie uit Gotha en het Goud van Priamus (de schat van Troje).

Als het parlement zo'n wet aanneemt zal restitutie van oorlogskunst, ook de Koenigs-collectie, heel moeilijk worden.