In Cage's oceaan van klanken luisteren de musici niet naar elkaar

Ocean: 27 t/m 30 juni, Muziektheater Amsterdam. Voor alle voorstellingen nog kaarten beschikbaar.

De 112 musici die vanaf vanavond in het Holland Festival drie voorstellingen begeleiden van Ocean van Merce Cunningham, spelen elk hun eigen solo-partij, deels zoals ze zelf willen en uitsluitend op aanwijzing van de klok. Hoe is het om te musiceren op eigen kracht, zonder dirigent of controle op wat er precies klinkt?

Eigenlijk wilde John Cage zijn zwanezang laten uitvoeren door 112 niet-professionele musici, die nog 'maagdelijk' tegenover de muziek staan. Geïnspireerd door 'Ocean', het laatste boek van James Joyce dat nooit werd geschreven, bedacht Cage muziek die hij nooit meer zelf zou horen. Want het toeval wilde dat de uitvinder van de chance-operation in 1992 stierf, anderhalf jaar voordat Ocean op 18 mei 1994 in Brussel in première ging.

Het laatste project dat Cage met choreograaf Merce Cunningham op stapel zette, moest door anderen worden uitgewerkt. Maar de belangrijkste parameters van dit ruimtelijke spektakel, waarin geluid en beweging als kronkelende rivieren samenstromen tot een oceaan, had Cage al bepaald. Ocean moest worden uitgevoerd in een cirkelvormige ruimte met in het midden de dans en live electronische muziek van David Tudor, daaromheen het publiek. En in de buitenste ring 112 musici die 90 minuten lang de door Andrew Culver, de assistent van Cage, per computer 'berekende' muziek in vijf lagen moesten spelen, zonder dirigent maar wel met een digitale klok voor hun neus.

In de geest van de meester voltooiden zijn volgelingen Cage's 19-delige 'opus posthumus'. David Tudor, die bijna een halve eeuw met Cage samenwerkte, verzamelde ten behoeve van zijn electronische compositie een compleet klankarchief van onderwatergeluiden: brekende golven, omhoog suizende luchtbellen, het water doorklievende schepen, krakende touwen, kantelende en scheurende ijsbergen, parende walvissen, spelende dolfijnen, stoeiende zeehonden en ander ruw materiaal uit de zee. Daaruit stelde hij een compositie samen, waarop hij ter plekke kan improviseren. Volgens het devies 'Make a List of All Choices, Number Them, Toss Coins' schreef Andrew Culver intussen in willekeurige volgorde Ocean 1 t/m 95, oftewel 5 x 19 stukjes computermuziek voor 112 solisten.

Voor de uitvoering werden 30 Belgische muziekstudenten en de musici van het Nederlands Balletorkest geëngageerd, volgens de organisatoren (de Merce Cunningham Foundation, De Munt, het Holland Festival en het Brusselse FESTIVAL des Arts) in de hoop dat 'het engagement en de motivatie van de kleine groep studenten de grote groep professionelen zal beïnvloeden en niet omgekeerd.' De musici van het Nederlands Balletorkest hebben een ruime ervaring met het spelen van hedendaagse muziek, maar zoiets als Ocean, dat eerder vier keer in Brussel werd uitgevoerd, hadden ze nog niet eerder op hun lessenaars staan. Het wonderlijkste aan dit stuk is nog wel de aanwijzing, die ze van Culver hebben meegekregen: “Het belangrijkste is dat de musici niet naar elkaar proberen te luisteren, dan gaat het goed.”

Voor de eerste uitvoering van Ocean tijdens het Holland Festival, vertellen enkele orkestleden een beetje giechelig over hun ervaringen met de bizarre aleatorische klanksoep van Cage, Tudor en Culver, waarin het toeval de hoofdrol speelt.

“Individueel gezien zijn de partijen ontzettend saai”, zegt solocellist Jaap Sytsma: “Het is niet zo dat het lelijk is, zoals sommige 20ste eeuwse composities die echt tegen het instrument geschreven zijn. Het is gewoon eigenlijk niets. Allemaal lange noten, en zo af en toe mag je even een staccato spelen, eruit knallen. Dat moment kan je tot op zekere hoogte zelf bepalen, zolang je de stopwatch maar in de gaten houdt.”

Concertmeester Cécile Huynen heeft van de nood een deugd gemaakt: “Die lange pianissimo-noten speel ik alsof het een streekoefening is, anders verveel ik me kapot. In plaats van maten staan er seconden in je partij. Zo moet je bijvoorbeeld tussen 30 en 90 seconden een lange noot spelen. Dan een tijd niets en dan ineens een hoog fortissimo na de vijfde minuut, maar voor de achtste. Zo heeft iedereen zijn eigen noten en eigen timing.

“Er zijn zeven speelmanieren, waaruit je telkens moet kiezen. Hard, zacht, kort, lang, dat soort dingen. We zitten allemaal door elkaar gehutseld, maar wel iedere avond op dezelfde plek. In principe is iedereen solist, wat voor de tuttistrijkers best eng is. Soms moet je helemaal in je eentje zo'n lange zachte noot spelen.”

Janet Morgan, eerste fagottiste van het orkest, wordt af en toe behoorlijk nerveus van dat publiek, zo pal voor haar neus: “Voor de blazers is het moeilijker dan voor de strijkers. We moeten kiezen uit technieken als 'Flatterzunge', een enkele of een dubbele tongslag, en dat dan vaak heel zachtjes. Voor een fagot is dat bijna onmogelijk.

“Een hele tijd zit je niets te doen, en dan moet je ineens pianissimo een hoge c spelen. Dat vereist een waanzinnige adembeheersing. Sommige noten zijn voor mij een even grote uitdaging als de beroemde fagotsolo uit Strawinsky's Le sacre du printemps, net zo moeilijk voor de articulatie en de concentratie. Alleen, nu blaas je die noten recht in de oren van het publiek. Bij iedere slappe toon heb ik het gevoel dat zo'n hoofd voor me zegt: 'Oei, wat was dat nu weer?' Ik was echt zenuwachtig bij de première in Brussel.”

Verreweg de leukste rol is weggelegd voor de slagwerkers. Ze moesten allemaal negen instrumenten uitkiezen, variërend van triangles en bekkens tot autoveren, blikken of schuurpapier. Jacob Goud, de 'eminence grise' onder de slagwerkers van het Nederlands Balletorkest, amuseert zich nog het meest met het scheuren van pakpapier en met het ribbelen met een flexibele pc-pijp over een rubberen autoband. “Ocean is misschien wel de laatste sarabande van Cunningham, het is niet mis wat die man gedaan heeft. Ondanks die rare instrumenten, heerst er orde en discipline tijdens de uitvoering. Een strijd tegen jezelf is teveel gezegd, maar wij slagwerkers moeten ons wel inhouden. In stukken uit de jaren '70 mochten we er soms keihard op los rauschen. Maar in Ocean is alles heel serieus. De timing ligt niet vast, maar de klank is heel duidelijk omschreven.”

De strijkers kunnen dit beamen. Vals is uit den boze en het geluid moet, een enkele krassende passage daargelaten, mooi en verzorgd zijn. “En vooral niet te hard”, voegt Cécile Huynen hieraan toe: “In Brussel liet iedereen uit het orkest zich zó opjutten door dat geloei van die bronstige walvissen, dat de mensen uit de zaal kwaad opstapten vanwege de herrie.”

Alle musici zijn het erover eens dat de muziek van Ocean allesbehalve inspirerend is. “Er is geen melodische of harmonische ontwikkeling”, zegt Jacob Goud. “Er is geen begin, geen eind, geen drama, geen verhaal en geen climax”, klaagt Jaap Sytsma. Toch vinden ze het allemaal leuk om aan Ocean mee te werken. Cécile Huynen: “Het ballet is onze redding. Normaal zitten we in de bak en nu heb je veel tijd om naar dat abstracte spel van de dansers te kijken. Na een paar avonden denk je ineens: 'Daar gaat een school vissen voorbij' en 'nu gaat de zon op.' ”