Het Europese onderscheid

DE SCHERMUTSELINGEN over de opvolging van Commissie-voorzitter Delors zijn dit weekeinde op het Griekse eiland Korfoe ontaard in een echte Europese crisis. De Belgische premier Dehaene verwierf uiteindelijk wel de steun van elf lidstaten, maar zijn benoeming liep stuk op een Brits veto. Hoewel de Britse kandidaat, commissaris Brittan, zich al had teruggetrokken, weigerde premier Major zich bij de grootst mogelijke meerderheid aan te sluiten, daarmee een diepe impasse veroorzakend. Of de Britten zullen hun verzet alsnog moeten opgeven, òf de nieuwe voorzitter van de Unie, Duitsland, zal een compromis tevoorschijn moeten toveren, wil het voorkomen dat de Europese integratie op de ingelaste top van 15 juli aanstaande volledig tot stilstand komt.

Anders dan de opzienbarende wedloop tussen Lubbers en Dehaene de afgelopen weken, staat het Britse veto namelijk voor een wezenlijk verschil van mening over de weg die het Europa van (binnenkort) de zestien verder moet bewandelen. Dat verschil van mening speelt overigens op zijn heftigst in de gelederen van Majors regeringspartij zelf waar de wonden, geslagen door het gedwongen vertrek van mrs. Thatcher, nog steeds niet zijn geheeld. De beperkte omvang van dat slagveld doet niets af aan het vraagstuk als zodanig, maar het zou wel een aansporing moeten zijn voor Groot-Brittanniës partners om voor de buitensporigheid van een handvol Tories op termijn niet het gehele Britse volk aansprakelijk te stellen. Het is goed om nog eens te bedenken dat het toenmalige Nederlandse voorzitterschap in Maastricht met die gedachte in het achterhoofd op tijd heeft willen spelen.

DE SPILZIEKE MANIER waarop de Europeanen tot dusver met gerenommeerde kandidaten voor het voorzitterschap van de Commissie zijn omgesprongen, maakt het vinden van een uitweg nu allesbehalve eenvoudig. In de aanloop naar Korfoe is van verschillende kanten geageerd alsof Europa zich de luxe van een gevecht uitsluitend om de mannetjes kon veroorloven, anders gezegd alsof er afgezien van de beoordeling van personen consensus bestond. Op die manier zijn kandidaten geofferd die bij het overwinnen van Majors veto nog een beslissende rol hadden kunnen spelen. Als Parijs en Bonn zich niet hadden laten afleiden door hun uitgesproken voorkeur, maar hun energie hadden besteed aan het overbruggen van de kloof die hen bij voorbaat van de Britten scheidde, had bovendien veel ongemak kunnen worden voorkomen. De twee nu achtereenvolgens optredende Unie-voorzitters, Duitsland en Frankrijk, zeggen hun handelingen te hebben gecoördineerd, maar daarbij is hun de eerste hobbel in de weg kennelijk niet opgevallen.

De vraag is of voor Nederland een rol is weggelegd bij het zoeken naar een uitweg uit het moeras. Haagse optimisten hebben al gesuggereerd dat er na Lubbers een nieuwe kandidaat moet worden gesteld. Dat nu lijkt onverstandig. Wat er ook verder van kan worden gezegd, de kandidatuur-Lubbers heeft het buiten Nederland aan geloofwaardigheid ontbroken. De voorstelling van zaken alsof Lubbers een moment toch nog bijna de helft van het Europese volk achter zich heeft gehad, is te gekunsteld om lang vol te houden. Voorzover er tijdens de stemming van steun sprake was, was die opportunistisch, uitsluitend voor de eerste en bij voorbaat verloren ronde. Het is naïef om daarover nog veel ophef te maken. Na de opwinding rondom de Lubbers-kandidatuur past nu terughoudendheid.

ENIG ZELFONDERZOEK is overigens niet alleen opportuun in het Haagse. Het samengaan van twaalf, per 1 januari volgend jaar eventueel van zestien Europese landen vereist een bijzondere stuurmanskunst. Het onderlinge onderscheid is zo groot gebleken dat een volledige mislukking niet kan worden uitgesloten. Het debâcle van Korfoe is een rechtstreeks gevolg van de algemene miskenning van de betekenis van dat onderscheid. Wie serieus met Europa verder wil, zal die fout niet nog eens moeten maken.