Een stad met de verkeerde mensen

“Nooit meer”, zegt mevrouw Hoonakker terwijl ze de afgewaaide bloesem van haar gazonnetje veegt. “Die stad is de pest en de lepra bij elkaar.” Het kan natuurlijk niet, maar eigenlijk zou je er gewoon een hek omheen moeten zetten. Zoals vroeger in Berlijn. Sinds ze hier in Almere woont zet ze er nooit een voet meer. Ja, of alleen om te winkelen Kalverstraat dan. “Maar daarna ben je weer goed genezen.” Het is opvallend hoe ze zich, samen met haar buurman Gruters kan opwinden over de stad die ze beiden jaren geleden de rug hebben toegekeerd. Wat er mis met Amsterdam? Waarom grijpt het onderwerp haar zo aan? Verbaasd kijkt ze op terwijl de de polderwind haar kleren doet klapperen. Mevrouw Hoonakker telt op haar vingers. De buitenlanders, de criminaliteit, de rotzooi. “Het is gewoon vies”, stelt ze. “Het is vol”, vult buurman Gruters aan. “En de goeien worden eruit gejaagd. De eerlijke werker met een beetje geld wordt gewoon weggepest.”

Het suburbia-gevoel bestaat. In al die nieuwe, rechthoekig ontworpen laagbouw zonder geschiedenis, zonder identiteit, begint een 'wij-gevoel' te ontstaan. Als de uitkomsten deugen van het onderzoek dat de Nationale Woningraad vorige maand presenteerde is het de wensdroom van velen: 'een flinke eensgezinswoning met een tuin in een ruim opgezette veilige wijk.' Zo wil de grote meerderheid van de Nederlanders wonen.

Toch is er meer aan de hand. Niet het groen-genot, de lekkere ruime parkeerplaats, de rustige buren en spelende kinderen op de verkeersdrempel lijken de basis te vormen van de trots van de voorstad. Eerder het omgekeerde. Een mengeling van haat en afgunst jegens de stad klinkt door in de litanieën die over de tuinhekjes gaan.

Meer nog dan Rotterdam, staat vooral het eeuwig tegendraadse Amsterdam model voor het spiegelbeeldige 'wij-gevoel' van suburbia. “Een stad die uit zijn voegen barst, en waar de verkeerde mensen wonen”, zo hield RTL-5 verslaggever Hugo van Rhijn een paar maanden geleden zijn kijkers voor. De reporter zou wel eens bewijzen dat zijn stelling klopte. Was het stadsvernieuwingsbeleid er niet mede verantwoordelijk voor dat een groot deel van de actieve bevolking met modale inkomens de stad verliet? De directeur van de dienst ruimtelijke ordening kon het niet ontkennen, maar wees er tevens op dat Amsterdam nog steeds het magnetisch middelpunt is voor al die middengroepen die zijn uitgeweken naar het groen. “Weggepest dus”, onderbrak Van Rhijn en stelde dat Amsterdam eerst maar eens haar eigen zaakjes moest opknappen voordat het eisen zou stellen aan de randgemeenten. En verder ging het. Kleurige beelden van de Albert Cuyp-markt. “In alle eerlijkheid”, klonk hier de vraag. “Kan deze stad nog meer buitenlanders aan?” Zo leek onder de camera's van Hugo van Rhijn de stad te vervormen tot een kloppende zweer; het vleesgeworden symbool van het onbestemde gevoel van onbehagen dat zich achter zoveel Hollandse huisdeuren verstopt.

Nu is haat en woede tegen Amsterdam altijd een constante geweest in de geschiedenis. In de nacht van 29 juli 1650 stuurde stadhouder Willem II zijn troepen op de stad af. Ergens op de hei bij Hilversum raakten de legers verdwaald, en zo kon een boodschapper het stadsbestuur waarschuwen. Amsterdam bewapende zich en stuurde de volgende dag een delegatie naar het legerhoofdkwartier. De Amsterdammers stelden beleefd dat de stadhouder meer dan welkom was. Maar wel diende hij er rekening mee te houden dat de stad vol zat met 'vreemd soort van luiden' die zijner doorluchtigheid wel eens 'schadelijk en niet aangenaam zijn zou'.

Wie weet hanteert Amsterdam nog steeds dit oude recept.