Een grote, gezellige familie van vergrijzende dichters

“Iets, aan de kust, liet ze vieren” (Judith Herzberg), “Iets laat wat gaan” (Silvia Bre). In De Volkskrant van 23 juni repte Remco Campert van sliertjes in het hoofd waar hij na bijna een week Poetry nog maar weinig mee kon. Mijn gevoel in de hersenpan is veeleer dat van een acute woekering van brandnetelwortels, die, zoals men weet het onontwarbaar haarnetje van moeder aarde vormen. Zaterdagavond. Ik peins over Kofi Awoonor. Maandagavond droeg de Ghanese dichter, na een indrukwekkende opsomming van slachtoffers van het wereldleed, zijn voordracht op aan “de vijftigduizend kinderen die vannacht zullen sterven”. Er liep een luis over mijn lever. Met Hélène Swarth dacht ik: “Zwijg en kniel,/ geraamte als wij in lijdend vleeschgewaad.” Bescheidenheid siert de mens; daarom draag ik dit stukje op aan de vijf miljoen kinderen die vannacht zullen worden verwekt.

Een week is te kort. Poetry zou een gestaag druppelend infuus moeten zijn, zoals het gezang dat in de Gouden Tempel van Amritsar vierentwintig uur per dag in ploegendienst ten gehore wordt gebracht - tenzij in India de noodtoestand weer eens uitbreekt. Niet elke dichter hoeft, in de daartoe te openen zaal, zijn eigen werk voor te dragen; sommigen uitdrukkelijk liever niet.

In Papieren TIjgers (1978) schrijft Gerrit Komrij: “Kneusjes, zo is bekend, treden altijd op, renden de week na deze Nacht (van de poëzie) alweer naar Rotterdam om in Poetry International dezelfde regels nog eens internationaal op te zeggen.” Dit jaar las Komrij zowel in de Nacht als op Poetry. Gerrit Kneusje? Nee hoor. Poetry is een grote, gezellige familie van vergrijzende dichters, “stokoude welpen van de muze” (Lucebert), een trouw weerkerend voetbalteam. Martin Mooij kreeg dan ook de Worldcup for Poetry.

Om acht uur zat het publiek klaar voor de Italiaanse avond. Een half uur lang bleef het podium verlaten, men begon te morren over gemiste toetjes. De dichters keken televisie. Na het voetbal begon de kerkdienst: de Italianen lazen op een toon alsof ze de mis opdroegen, ingetogen, gedragen en welluidend, als was elke tekst afkomstig uit een liturgie van eeuwen her. In stijl daarmee werden de tientallen dichters, die na de pauze een liefdesgedicht lazen, elk aangekondigd met een regel uit het Hooglied. Tussendoor speelde Eleonore Pameijer een duet voor dwars- en politiefluit. Louis Lehmann liet van schrik zijn laatste stuivertje vallen. Er liep een mier over de marmeren vloer van de Foyerzaal, “de wasbak van het heelal” (Lucebert). De geest van Maurits Uyldert? Het was vast diens dochter, het befaamde kruidenvrouwtje, die door Anton Korteweg is geëerd in zijn gedicht Toch geluk voor Mellie!. De kosmische harmonie in regels als “Mellie paste zich meteen aan bij/ zijn ritme/ en/ in golvende bewegingen speelden ze het liefdesspel” wijst daarop.

Ik moet iets bekennen. Bij de meeste gedichten draait mijn maag om. Maar ik houd van Poetry. Om de veelstemmigheid, de kalmte, de rekkelijke organisatie, de bondige en scherpzinnige presentatie, de inzet waarmee vertalingen worden voorgelezen. Men kon onder het luisteren roken, drinken en slenteren, naar de olijke dichtersportretten van Emo Verkerk kijken, praten en huilen - al deden dat alleen de baby's. Poetry International heeft een waarde die de betekenis van de afzonderlijke dichters te boven gaat. In al die stemmen, hoe larmoyant of bescheten ook, komt iets samen dat men achteraf cultuur noemt en op het moment zelve aanvoelt als opschorting van vijandschap, tijdelijke verbroedering. Zelfs de knekelhuizen van Andrea Zanzotto blijken bewoonbaar.

Maar waar was Tsjêbbe Hettinga, die het zo mooi had kunnen zeggen? “Een pandemonium steeg op/ naar de hemel. Zeevogels, als de duiven van het schuim/ kantelden tot in de hoogten van haar hese klanken.” Nu het achter de rug is rest er niets dan kralen rijgen van regels. Zoals je zwijgt, met je bloed in mijn rug/ nu, nu hij haar rug ziet/ onze ruggen hebben zich achter ons gesloten/ ruggelings meegevoerd met de ogen dicht. Vier dichters. Welke? U zoekt het maar uit. Na mijn vertrek uit het Bombay van Zuid-Holland stond er om half twaalf een treurende, bijna volle, oranje maan boven de horizon. In de boemel van A. naar Z. hoorde ik het laatste gedicht: “asbak asbak asbak sigaret - vúúr!”