CPB-computers hebben geen oog voor de kwaliteit van Nederland

Bij de voorbereidingen van de paarse coalitie speelt het Centraal PLanbureau een grote rol. Een te grote rol, vindt E.J. Bomhoff. CPB-directeur Zalm is goed in het doorrekenen van bezuinigingen, maar hij kan niet overweg met maatregelen die de kwaliteit van het bestaan moeten verbeteren.

Na drie kabinetten Lubbers is Nederland een stuk goedkoper geworden. In vergelijking met onze belangrijkste concurrent, Duitsland, heeft ons land een steeds groter concurrentievoordeel omdat onze loonkosten bijna ieder jaar verder achterblijven. Helaas werd Nederland gedurende de periode-Lubbers niet alleen goedkoper maar ook sjofeler. Vergelijk het Centraal Station van Rotterdam met dat van Düsseldorf. Of contrasteer het Damrak en de Kalverstraat in Amsterdam, en de Lijnbaan in Rotterdam, met de belangrijkste winkelstraten in Zürich, Hamburg of Stuttgart. Het verschil in allure is onmiskenbaar. De objectieve cijfers bevestigen trouwens dat Nederland steeds sjofeler wordt. Sinds ongeveer 1975 zakken wij af in de Europese rangorde in ongeveer hetzelfde tempo als eerder het Verenigd Koninkrijk. Nu is Nederland volgens de officiële cijfers al het armste land van de zes oorspronkelijke lidstaten van de Europese Gemeenschap.

Er zijn intussen al tien landen in de wereld die én gemiddeld hogere lonen kunnen betalen dan Nederland én bovendien een lagere werkloosheid hebben. Niet alles in die landen is even sympathiek en wij hoeven ook niet slaafs buitenlandse voorbeelden te kopiëren, maar het is intussen wel duidelijk dat onze hardnekkige pogingen om het land vooral goedkoper te maken maar gedeeltelijk hebben gewerkt. Dat andere landen hogere lonen betalen en toch meer mensen aan het werk houden moet betekenen dat Duitsland, Frankrijk, Italië en andere succesvolle concurrenten in staat zijn een hogere kwaliteit te bieden als 'Standort'. Want het gaat in de internationale concurrentie natuurlijk niet uitsluitend om de loonkosten maar ook om de kwaliteit van onderwijs, woonomgeving en openbaar vervoer, om de aanblik van de grote steden en om de veiligheid op straat. Dat Amsterdam op de ranglijst van de Europese toeristensteden is afgezakt tot de achtste plaats is evengoed belangrijk voor de toekomst van onze economie als de laatste cijfers over financieringstekort en sociale premies.

Ondanks alle loonmatiging van de afgelopen twaalf jaar blijft Nederland natuurlijk toch een duur land, en wij zullen dat moeten waar maken door ook in internationaal opzicht een hoge kwaliteit te bieden. Het is daarom te hopen dat de informateurs en de fractieleiders hard werken om de kwaliteit van Nederland zo snel mogelijk te verbeteren. Daarbij stuiten Kok, Bolkestein en Van Mierlo echter op de handicap dat het Centraal Planbureau niet in staat is om uit te rekenen wat de gevolgen in 1998 zijn van kwalitatieve maatregelen. Gaat het om bezuinigingen, kortingen of bevriezingen tussen nu en 1998, dan kan het CPB die doorrekenen op de gevolgen voor de werkgelegenheid. Maar bezuinigen, korten of bevriezen, hoe urgent ook wanneer een land bijna failliet is, voegt niets toe aan de kwaliteit.

Nederland is intussen al zoveel goedkoper geworden dan de omringende landen dat het een gigantisch overschot heeft op de internationale handel, maar nog eens vier jaar van datzelfde recept helpen niets om de Kalverstraat minder sjofel te maken of Amsterdam als toeristenstad revanche te laten nemen op Boedapest. De onderhandelaars zouden minder kunnen kibbelen over hypothetische bezuinigingen in 1998 - waarvan de helft waarschijnlijk toch wordt gesaboteerd door ambtenaren en pressiegroepen - en zich met nog veel meer nadruk moeten richten op betere wetten en regels. De huidige onderhandelingen lijden onder de beslissing van Planbureaudirecteur Zalm om het cijfer nul te dicteren als het gaat om de economische gevolgen van veranderingen in wetgeving. Drie voorbeelden: het GAK is begonnen aan de herkeuring van WAO'ers. Volgens de eerste cijfers verliest de helft van de zo opnieuw gekeurde mensen hun WAO-uitkering omdat ze eigenlijk best blijken te kunnen werken. Zestig procent van de overigen krijgen een nieuwe indeling in een lagere WAO-klasse met een overeenkomstig lagere uitkering. Kok, Bolkestein en Van Mierlo hebben het Planbureau gevraagd wat het denkt van deze nieuwe ontwikkeling. Zalms antwoord: nul.

Tegelijkertijd is de administratie van het ziekteverzuim gewijzigd en zijn bedrijven nu zelf financieel verantwoordelijk voor de eerste twee of zes weken van ieder ziektegeval. Wil het Planbureau hiermee rekening houden met de prognoses voor 1995-98? Opnieuw: nul. Dan heeft onderhandelaar Bolkestein naar verluidt vorderingen geboekt bij het streven naar meer vrijheid in de CAO-wetgeving en gedeeltelijke afschaffing van de Algemeen-verbindendverklaring. Planbureaudirecteur Zalm verklaarde al eerder dat hij overtuigd is van de gunstige gevolgen van zo'n maatregel, maar het enige cijfer dat hij wil inboeken is opnieuw - u raadt het - nul. Hoe iemand eerst een maatregel kan bepleiten, maar daarna volhouden dat het effect ervan nihil is, zal velen ontgaan. Wanneer 's lands rekenmeester maar één cijfer wil noemen voor de gunstige effecten wordt het voor de politici wel heel moeilijk om de weerstanden te overwinnen van de pressiegroepen in het middenveld en betere wetten en regels voor te stellen voor sociale verzekering en voor de CAO's. Maar dat getal is even subjectief als elke andere prognose.

Ieder jaar verklaren onze politici dat het nodig is de Nederlandse arbeidsmarkt vrijer te maken en concurrentie en rationaliteit toe te laten tot de sociale verzekeringen. Nu dan eindelijk de partijleiders hun moed verzamelen en afspraken maken in een regeerakkoord, krijgen zij voortdurend nul op het rekest van het Planbureau. Voor nieuwe ideeën is geen plaats in de rekenmodellen van het Planbureau en daarom is het zo jammer wanneer de politici hun oren laten hangen naar hypothetische cijfers voor 1998 die met allerlei verstandige maatregelen nu eenmaal geen rekening kunnen houden. Ik ken geen land ter wereld waar berekeningen voor vier jaar in de toekomst zo'n dominerende rol spelen in de politiek als Nederland, behalve de ex-communistische landen tot aan de omwenteling van 1990.

Oorspronkelijk was de rol van het Planbureau bij de kabinetsformatie om te helpen bij een verstandige regel voor het financieringstekort en een tijdpad voor de totale overheidsuitgaven. Dat is nuttig, maar nu is directeur Zalm een nationale arbiter geworden van het complete sociaal-economische beleid, inclusief mogelijke veranderingen in wetgeving, waarbij hij dan bijna altijd zijn 'nul' laat horen. Gerrit Zalm is een deskundig en energiek econoom, maar het is absurd om één individu - hoe bekwaam ook - het recht te geven om een 'nul' uit te spreken over praktisch ieder voorstel tot wetswijziging, eenvoudigweg omdat andere wetten niet in zijn rekenmodel passen.

Het Planbureau heeft alleen enig zicht op de zuiver financiële extrapolatie van bestaande wetgeving maar voor de grote problemen van werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en onveiligheid mist dat de kern van de zaak. Een essentieel debat van de komende jaren, bijvoorbeeld, zal erom gaan hoe langdurig werklozen het best een aantal uren per week nuttig werk kunnen doen voor de gemeenten, het openbaar vervoer of als politie-assistent. Daarbij gaat het dan niet om een financiële besparing, maar om het herstellen van de kwaliteit van Nederland. Wij moeten dringend experimenteren met het op veel grotere schaal inschakelen op part-time basis van langdurig werklozen, en dat mag best wat geld kosten, als het maar meer toevoegt aan de kwaliteit van 'Standort' Nederland.

Premiedifferentiatie in de WAO, afschaffing van de ziektewet en vrijheid om af te wijken van CAO-loonschalen: drie urgente verbeteringen in onze economische structuur die volgens de berichten binnen bereik komen bij deze formatie. Dat is méér doorbraak in het middenveld in zes weken dan tijdens twaalf jaar regeren met het CDA. Daar mag Zalm geen driewerf: 'nul' over uitspreken. Daarbij komt nog dat het Planbureau op het beperktere, zuiver financiële terrein ook al misleidende informatie verstrekte. De combinatie van bezuinigingen en lagere belastingtarieven waarover de drie partijen overeenstemming zoeken, rekent het CPB voor hen door met een rekenmodel waarin de tarieven van de inkomstenbelasting niet eens voorkomen. Omdat onze politici deze gebrekkige visie op het belastingsysteem accepteren en hun oren laten hangen naar absurde berekeningen die suggereren dat lagere belastingen pas na acht jaar effect krijgen, heeft alleen Nederland nog steeds een toptarief van 60 procent - hoger zelfs dan Zweden.

Hoe Nederland er in 1998 uitziet weet niemand, ook CPB-directeur Zalm niet. Maar politici die over vier jaar de verkiezingen willen winnen moeten nu hard werken aan betere wetgeving voor arbeidsmarkt en sociale zekerheid, aan lagere belastingtarieven en aan intelligente experimenten met de inzet van langdurig werklozen. Dat het CPB daarvan de ene helft (andere wetten) helemaal niet kan doorrekenen, en de andere helft (lagere belastingtarieven) maar heel gebrekkig, is geen reden om niet krachtig in te zetten op een gunstiger prijs/kwaliteitverhouding voor Nederland. Rekenmodellen blijven nu eenmaal blind voor de kwaliteit van een land - vraag dat maar aan de medewerkers van Gosplan in Moskou. Maar ook al zien de computers het niet, voor wie wel oog heeft voor kwaliteit is Nederland nu goedkoop en sjofel genoeg en staan veel te veel mensen afwachtend aan de kant.