Beter voorkomen dan wreken

Het begint steeds meer op te vallen dat Lubbers toch minder op de hoogte is van de jezuïetische klassieken dan men mocht aannemen. In ieder geval heeft hij de wijze raadgeving van de Spaanse jezuïet Baltasar de Gracián niet verinnerlijkt. Deze schreef in zijn Handorakel en kunst van de voorzichtigheid (1647): “Niet volharden in een domheid. Voor sommige mensen wordt een mislukte onderneming tot een verplichting. Zij zijn de verkeerde weg ingeslagen en menen dat het van standvastigheid getuigt hem te vervolgen. In hun binnenste erkennen zij hun vergissing, maar verdedigen haar voor de buitenwereld. Het gevolg: bij het begin van hun vergissing vond men hen onvoorzichtig, maar door het volharden erin verwerven zij voorgoed de reputatie van dwazen”.

Vanaf het moment dat Lubbers zich in het openbaar begon te beklagen over de machtspolitiek van Frankrijk en Duitsland was duidelijk dat hij de strijd om de opvolging van Delors had verloren. Dat hij zichzelf heeft vastgebeten in een hopeloze zaak valt nog net te begrijpen, maar dat andere betrokkenen zijn openlijke verongelijktheid niet krachtig hebben ontmoedigd, valt niet te billijken.

Zo dreigt deze mislukte kandidatuur steeds verder te ontsporen. Uit wrok over de val van Lubbers, moet zijn Belgische rivaal het ontgelden, waarbij Nederland kan schuilen achter een Brits veto. En nu zien we zelfs enkele leden van de Tweede Kamer die serieus opperen dat Nederland met een nieuwe kandidaat moet komen, hetgeen duidelijk maakt dat zij niet zo bedroefd zijn over de Engelse houding. Ondertussen hebben slechts weinigen in de gaten dat Nederland zich in een isolement heeft gemanoeuvreerd samen met de meest destructieve regering in de Europese Unie, die van John Major.

Ook de gemiddelde journalistiek vergeet dit en rijgt moeiteloos huilerige berichtgeving over 'onze' premier aaneen. Een doorgaans toch lang niet slechte rubriek als NOVA heeft elke poging achterwege gelaten tot serieus onderzoek naar de motieven van acht en later tien andere lidstaten die zich achter de kandidatuur van de Belgische premier hebben gesteld. Wat beweegt de Denen of de Grieken bijvoorbeeld in hun keuze voor Dehaene? Of zijn ook zij 'lakeien van Kohl'?

Zo'n onderzoek naar eigen en andermans motieven hoeft ook niet, want wij hebben immers de principes aan onze kant. Ja de beginselen, die Nederland als zelfbenoemde aanvoerder van de kleinere landen in de Europese Unie zo graag aanroept. We mogen Europa niet laten overheersen door de 'as' Bonn-Parijs heet het, de lidstaten zijn toch gelijkwaardig. Hadden beide landen Lubbers' kandidatuur gesteund, niemand had ooit iets vernomen over de achterkamertjes en de lompheid van Kohl. Zoals zo vaak in de buitenlandse politiek van ons land lopen morele en juridische principes onnavolgbaar over in eigenbelang en daarom zijn deze hooggestemde opvattingen in de ogen van de andere lidstaten tamelijk doorzichtig.

Nederlandse diplomaten en politici denken dat ze erg geliefd zijn in Europa, het tegendeel is vaak het geval. Wat overheerst is ergernis over een land dat zichzelf gemakkelijk overschreeuwt. Lubbers zelf houdt het erop dat hij 'na twaalf jaar Europese Raad een beetje te groot is gegroeid'. Zulke bescheidenheid tegenover de 'arrogantie' van Frankrijk en Duitsland weet men wel te waarderen in de Europese Unie.

Net zoals bij de mislukte aanloop naar het Verdrag van Maastricht krijgen we nu een eindeloos gezeur over de fouten die zijn gemaakt bij het lobbyen voor Lubbers. Maar net zoals het isolement van Nederland bij de opstelling van het Verdrag van Maastricht veelzeggend was voor een lange traditie van wensdenken over Europa, onthullen de mislukte kandidatuur van Lubbers en vooral de uitlatingen van de direct betrokkenen de desoriëntatie die zich meester heeft gemaakt van 's lands diplomatie.

De wezenlijke vraag is hoe moet worden omgegaan met de rechtsgelijkheid en het machtsverschil van de lidstaten van de Unie. Nederland heeft als kleinere natie met een beperkte invloed altijd grote waarde gehecht aan de formele gelijkheid van de landen die de Europese Gemeenschap vormden. Maar het Europa van de twaalf belichaamt slechts in beperkte mate de heerschappij van rechtsbeginselen. De vraag is dus hoe Nederland omgaat met die momenten waarop ongelijke machtsverhoudingen gedroomde rechtsverhoudingen doorkruisen.

In de naoorlogse periode heeft Nederland op twee manieren geprobeerd om het machtsverschil in Europa in te dammen: door het leiderschap van de Verenigde Staten in een atlantisch Europa zoveel mogelijk te bevorderen en door een sterke binding van de grotere landen in een federaal Europa na te streven. Beide houdingen passen in het streven om Nederland zoveel mogelijk te vrijwaren van de continentale machtspolitiek, die door de eeuwen heen de belangrijkste bedreiging voor ons land is geweest.

Na de Duitse eenwording en de minder pregnante rol van de Verenigde Staten in Europa gaan deze beide strategieën niet meer op. Nederland staat dan ook voor de volgende herzieningen van haar traditionele diplomatie. Allereerst verdient het 'klassieke' machtsevenwicht binnen Europa nieuwe waardering. Nederland heeft vanzelfsprekend belang bij een evenwichtige verhouding van de drie middelgrote naties. Maar gegeven het Engelse isolationisme moet toch voor iedereen duidelijk zijn dat de basis van deze driehoek tussen Parijs en Bonn getrokken wordt.

Welke kansen zijn er voor zo'n machtsevenwicht in de Europese Unie en kan Nederland bijdragen tot een versterking van de Frans-Duitse samenwerking? Bij de beantwoording van die vraag springt vooral de slechte Frans-Nederlandse relatie in het oog. Die wantrouwige opstelling konden we ons in het Europa van voor 1989 misschien permitteren, nu niet meer. Lubbers schreef in de zomer van 1990 in deze krant 'dat Europa beter zal slagen als Parijs voor Europa kiest in plaats van alleen voor een as Parijs-Bonn, hoe nuttig die ook was'. Let op dat 'was' en op de term 'in plaats van'. Zo wordt een tegenstelling gecreëerd tussen Frans-Duitse samenwerking en echte Europese integratie. Niemand hoeft Kohl of Mitterrand blindelings te volgen, maar het overgeërfde wantrouwen in ons land tegen Frans-Duitse samenwerking is gezien de wanorde in Europa niet echt behulpzaam.

De tweede herziening betreft een relativering van de formele gelijkheid van de lidstaten in de Europese Unie: òf Nederland werkt actief mee aan milde vormen van een directoraat van de middelgrote mogendheden in de Europese Unie òf het draagt ongewild bij tot een rauwe machtsvorming buiten de Unie. Frankrijk, Engeland en Duitsland kunnen nu eenmaal niet met de maat van Nederland worden gemeten.

Minimaal zou Nederland er toch mee moeten instemmen dat deze drie landen een zwaarder gewicht krijgen toebedeeld in de dagelijkse diplomatie van de Europese Gemeenschap, zeker na een uitbreiding tot zestien landen. Een voorzichtige manier om het verschil in status te omschrijven, zou het permanente lidmaatschap van de Veiligheidsraad van de VN kunnen zijn, als straks Duitsland naast Frankrijk en Groot Britannië ook die rol krijgt. Een andere manier is het loslaten van de gedachte dat alle lid-staten permanent in de Europese Commissie vertegenwoordigd moeten zijn. Zo zijn er vele manieren om het verschil vast te leggen.

De Gracián schrijft in een andere raadgeving: “Beledigingen voorkomen en in gunsten ommunten. Het is wijzer ze te voorkomen dan te wreken. Het getuigt van veel slimheid van een mogelijke mededinger een vertrouweling te maken en belagers van uw reputatie te veranderen in verdedigers”.

Ach, had Lubbers zijn jezuïetische opvoeding maar niet zo verwaarloosd, dan was hij nu president van Europa.