Bah, ik ben weer terug

Als jongen van negentien ging ik voor het eerst naar het paradijs. Ik mocht meerijden, opgevouwen, achterin een hobbelrenaultje. Dat kon gemakkelijk, want ik was immers jong en nog geen 120 pond. Een dunne sliert met veel haar, op weg naar Italië.

Waar was ik eerder geweest? Nergens. Ja, een stukje Duitsland, waar ik de Aziatische griep kreeg en dood- en doodziek terugliftte met een Duitse slager die heel duidelijk de oorlog had overleefd. Ik moest tegen heug en meug stukken metworst opeten. “Fundament, Fundament muss man haben. Es geht im Leben um's Fundament.” Ik hoor die man nog steunen uit zijn kolossale speklichaam, terwijl hij me de stukken worst aanreikte. Dat werd lekker braken in de berm met motregen, zodat echt niemand me meer meenam. Koorts: 42,2, of kan dat soms weer niet?

Maar nu naar Italië. Eerst langs de Rijn. Stromen Heine en Schumann. Lorelei en Drachenfels. Zwitserland. Daar had ik het gevoel of ik het al kende. Waarschijnlijk van de kalenders van een verzekeringsmaatschappij. Altijd die eeuwige sneeuw. Voor mij zat er geen geheim in het landschap. Ik wil niemand op het hart trappen. Ik werd er neerslachtig van. Van die keurigheid. Onzin natuurlijk, maar zo voelde ik dat. (Toen ik later thuiskwam en vertelde dat ik een vliegmachine beneden me had zien vliegen konden zij van het platteland dat moeilijk geloven.)

Nee, dan Italië. Is het mogelijk dat we bij Chiasso de grens passeerden? Ik geloof dat ik er overnacht heb. In elk geval zaten we te eten tussen de Italiaanse wegwerkers uit Milaan. Zo hartelijk als alleen Italianen kunnen zijn. De klank van hun taal. Het zingen van die taal. Honderdduizend maal gezegd, ik weet het, maar toch nog één maal: de melodie. (Waarom ben ik toch zo dom en lui. als ik toen Italiaans was gaan leren had ik het nu vloeiend gesproken. Ik was getrouwd met de enige dochter van een Italiaanse gravin, die zelf ook nog verpletterend mooi en jong was. Ik was graaf geworden en had nu een oude dag met toekomst gehad. Ho, maar.)

's Morgens zong er een volwassen vrouwenstem uit 'Bittere Rijst'; het wijsje van Silvana Mangano, die we later konden tegenkomen in de Po-vlakte waar de burchtachtige boerderijen staan.

Langs Genua naar het zuiden richting La Spezia. Per meter komt het paradijs dichterbij. Zelfs bij het benzinestation ruik ik het. Steeds meer pijnbomen. Steeds meer palmen. Steeds meer huizen met geschilderde nepbalkons, nepramen, nepkariatiden en nepgriffioenen. De zee die azuurblauw is met hier en daar een zeil. “Zee, zonder één rimpel...” Rapallo. Verdrag. Nietzsche. Pound. Een boulevard vol restaurants en deftige eters. Daarachter zeeroversteegjes, straatjes en parken. De villa's zoals ze loom tegen de bergen liggen, de groene luiken eeuwig gesloten. In de nacht, de trein die langs de kust raast. Lichtjes aan. Lichtjes uit. Dat nachtelijk geklots van het water tussen de boten. Het getoeter van de autobussen door de nevelen van de omringende dalen. Stam ik uit het Groningse stenentijdperk dat ik tot 1957 nog nooit een olijf heb gegeten? (Met pit en al, bijna was ik gestikt.) De wijn is lekker. Je krijgt er mineraalwater bij. Maar ook nog een bak met citroenwater naast je sardines. Drink hem leeg. Je moet het toch betalen. Een hele plank kaas als toetje? Na al dat vele eten en die slierten met tomatensaus? Hier slaan ze zelfs kreeften met een hamer de hersens in. Vraag de ober een zakje, dan nemen we die kaas mee naar huis, toch jammer om die weg te gooien? Nu ben ik er weer geweest. Na zoveel jaren. Ik ben net terug. Zeg niks. Spreek niet met me. Vooral vandaag niet, want nu is mijn heimwee echt niet te harden. Nu ja, afscheid nemen is mijn sterkste kant niet. Verdorie, waarom hecht ik me zo aan alles? Aan de mensen. In mijn hotelletje beloofde ik Riccardo en Helena dat ik terugkom. Straks. Al heel gauw. Zo gauw mogelijk. Ik wil ze nog niet kwijt. De cypressen niet. De bergen niet. Omdat er daar bijna niets is veranderd. Ja, mijn gezicht in de spiegel van de kamferballetjes-kast. Maar ik ga er weer heen. Misschien kan ik in een oude omgeving leren aan een nieuwe kop te wennen.