Afscheid van Nederland (13)

Beste Pedro

Ik had nooit gedacht dat me vandaag, aan het eind van de middag, ineens jouw vruchteloze poging van vorig jaar te binnen zou schieten om je als antiquair in Rotterdam te vestigen. Wij, je vrienden, vonden het toen allemaal heel erg dat je zo abrupt failliet ging, maar eerlijk gezegd hadden we ook van meet af aan onze wenkbrauwen een beetje gefronst om je enthousiasme.

Echt, of het nu om heiligenbeelden gaat of om tomatenpuree, de eerste en misschien enige wet die in de handel absoluut geldt, is die van de winst: tussen koop en verkoop moet een zakenman winst maken, daar helpt geen lievemoederen aan. Omdat dat zo is, eindigt iedereen die zoals jij leeft met het idee dat schoonheid ook een rol speelt, dat je gerust korting mag geven als je iemand aardig vindt en dat je altijd wel de kans krijgt om het geleden verlies weer goed te maken, onherroepelijk met een faillissement.

Vandaag aan het eind van de middag kwam ik dus terug van wat op mijn leeftijd een houd-je-fit-wandeling heet, toen ik drie bestelbusjes bij de kerk zag staan. Hier in het dorp trekt iedere vreemde auto de aandacht, maar drie tegelijk is reden tot wantrouwen, en in dit geval terecht, want de kerels die erin zaten, zagen er behoorlijk louche uit. Daarom liep ik door, verbaasd over de drukte die er op straat heerste. Onbekenden kwamen de huizen uit met antieke dekenkisten, eeuwenoude tafels en stoelen, ijzeren wasbakken, kannen, kasten, nachtpotten, musketten en nog een hoop meer, en brachten de hele santenkraam naar de pomp.

Aan een buurvrouw die langskwam met een nachtkastje, vroeg ik wat er aan de hand was. En zij legde ongeduldig uit dat het de opkopers waren. Ze hadden alleen belangstelling voor oude rommel en boden een goede prijs, maar ze betaalden niet in geld: als de koop gesloten was, kreeg je een papiertje waarop het bedrag stond, en dan . . . - de ogen van de vrouw leken vonken te schieten van hebzucht - ging je met dat papiertje naar de busjes bij de kerk, en daar kon je voor dat bedrag kiezen uit de allerbeste spullen van stof en plastic, bestekdozen, sieraden, klokken, vazen, spiegels, ja zelfs nieuwerwetse geverniste stoelen. Zijzelf had van al het meubilair dat ze geërfd had, alleen dit nachtkastje nog maar over, de rest had ze vorig jaar al verkocht aan dezelfde mannen. En goed, heel goed. Als ik even wachtte, zou ze me laten zien hoe haar huis er nu piekfijn uitzag met al die nieuwe spullen.

Ik deed of ik haast had en liep half bedroefd half kwaad de straat uit, gekweld door onlustgevoelens die niemand mij dwong te hebben. Want als ik tegen de mensen uit het dorp zei dat ze gek waren, zou ik hen van hun droom beroven; en de opkopers voorstellen hun winzucht wat te beteugelen, zou uitdraaien op ruzie, dat zag je aan hun gezichten. Ze zouden trouwens ook meteen - terecht - opmerken dat de slachtoffers van hun sluwheid er zelfs bij juichten.

Toen schoot me jouw geval te binnen en bedacht ik dat men, net als voor de dichtkunst, ongetwijfeld ook voor de handel aanleg en inspiratie moet hebben. En de beste handelaar zal diegene zijn die net als de bevlogen dichter het publiek zodanig weet te betoveren, dat dat niet langer onderscheid wil maken tussen winst en verlies, tussen wat echt en wat verzonnen is.

Hartelijke groeten J. Rentes de Carvalho