Woekeren met de Wereldbank

Bruce Rich: Mortgaging the earth. The World Bank, environmental impoverishment, and the crisis of development 376 blz., Beacon Press 1994, ƒ 65,65

Het oerwoud werd gekapt, de vogels verdwenen, de vissen stierven. Het was gepresenteerd als ontwikkeling, maar de Kaiowa-Indianen in het Braziliaanse binnenland dachten daar anders voor. Twintig van hen pleegden in 1992 zelfmoord omdat de wortels van hun bestaan en van hun cultuur onherstelbaar waren aangetast.

Wat is ontwikkeling? Die vraag wordt in het officiële ontwikkelingswereldje, merkwaardig genoeg, zelden expliciet gesteld. Ontwikkeling heeft betrekking op een regenboog van doelstellingen: economische groei, toenemende welvaart, betere levensomstandigheden en, heel algemeen, op modernisering en vooruitgang. De maatschappelijke ontwrichting, de menselijke maat, de effecten voor het milieu, die ook met ontwikkeling gepaard kunnen gaan, zijn vaak genegeerd. Ontwikkeling, dat is een geloofsartikel waarmee het wel goed zit.

Bruce Rich, een milieu-activist en advocaat werkzaam bij het Environmental Defense Fund in Washington, meent dat ontwikkeling schadelijk is. Het leidt tot vernietiging van natuurlijke en sociale systemen. Economische groei heeft van de aarde “een wereldwijd slagveld gemaakt, waarop miljoenen (biologische) soorten vernietigd worden en tientallen miljoenen van de armste mensen worden gedwongen tot onvrijwillige ontworteling en verhuizing”. Ontwikkeling leidt volgens hem tot een onvoorstelbare verarming van het menselijk bestaan en van de levensvormen die zich op aarde hebben ontwikkeld.

De boosdoener van dit alles, aldus Rich, is de Internationale Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, beter bekend als de Wereldbank. De Wereldbank belichaamt volgens hem de “de essentie van de 20-ste eeuwse moderniteit”.

Na de toetreding van het voormalige Sovjet-blok heeft de Wereldbank vrijwel alle landen (uitgezonderd Cuba en Noord-Korea) als werkterrein. Met een staf van ruim tienduizend mensen is zij onbetwist de belangrijkste ontwikkelingsinstitutie. Jaarlijks keurt de Bank, in haar hoofdkantoor in Washington, meer dan 20 miljard dollar aan leningen goed voor ruim 200 projecten (cijfers over 1992). Onder druk van de lidstaten, zowel de donorlanden als de ontvangende landen, nemen de bedragen van goedgekeurde leningen voortdurend toe. Eind 1992 had de Wereldbank meer dan 100 miljard dollar aan leningen uitstaan. De Bank houdt zich niet alleen bezig met de financiering van projecten maar ook met ondersteuning van structurele aanpassingen in ontwikkelingslanden en is actief betrokken bij de overgang van plan- naar markteconomie in ex-communistische landen. Door haar profilering staat de Wereldbank geregeld bloot aan kritiek. Maar nog nooit is de Bank zo frontaal aangevallen als door Bruce Rich in diens boek Mortgaging the earth. Hij beschuldigt de Wereldbank van moord op de natuur en op mensen.

Apodictisch

De kern van ontwikkeling is volgens Rich de toenemende menselijk controle over het natuurlijke milieu. In dat proces van modernisering en oprukkende technologie speelt de Wereldbank een centrale rol. Ogenschijnlijk valt dit proces niet te stoppen. Maar Rich weet beter: de wereldwijde ecologische crisis waartoe 'ontwikkeling' heeft geleid, stelt grenzen aan de groei. “De natuur komt in opstand tegen de overheersing van mensen over dingen, evenals plaatselijke gemeenschappen en inheemse samenlevingen die afhankelijk zijn van de bedreigde eco-systemen. De opstand van de natuur heeft de politieke crisis van de moderne, technologische samenleving wereldwijd gemaakt.”

Dat zijn apodictische uitspraken. Rich' aanklacht dat de Wereldbank verantwoordelijk is voor de ecologische gevolgen van ontwikkeling, heeft in Washington dan ook veel discussie losgemaakt. Ook los van de Amerikaanse hang naar overdrijving bevat zijn boek observaties die voor het Nederlandse debat over ontwikkelingsbeleid van belang zijn: het stelt de zin van ontwikkelingshulp en van internationaal milieubeleid zoals hier door de ministers Pronk en Alders worden aangehangen, fundamenteel ter discussie.

Rich raakt een aantal gevoelige punten. Het chronische tekort aan goede projecten in ontwikkelingslanden bijvoorbeeld en de permanente druk om geld uit te geven. Kwantiteit - in hoeveelheid geld en aantal projecten - telt meer dan kwaliteit. De Wereldbank heeft bovendien met het probleem van de 'netto-negatieve overdracht' te maken: ontwikkelingslanden betalen soms meer aan de Wereldbank in de vorm van rente en aflossingen dan ze aan nieuwe leningen ontvangen. Verder merkt hij op dat de Wereldbank (net als Ontwikkelingssamenwerking in Nederland) te veel doelen tegelijk wil bereiken: maximalisatie van economische groei, ecologische duurzaamheid, sociale rechtvaardigheid, armoedebestrijding, structurele aanpassing en marktliberalisatie. Vaak komen die doelstellingen met elkaar in botsing.

Veel ontwikkelingsprojecten zijn, om uiteenlopende redenen, een faliekante mislukking. Een rapport van de Wereldbank, het Wapenhans-rapport van 1992, merkt op dat steeds minder projecten voldoen aan de eisen die de Wereldbank zelf stelt en dat een derde van de projecten onbevredigende resultaten oplevert. Wat Nederlandse ontwikkelingsprojecten betreft is het percentage mislukkingen groter en is de openbaarheid van de gegevens hierover kleiner dan bij de Wereldbank.

Openheid

Ten onrechte hekelt Rich de geslotenheid van de Wereldbank, hoewel hij zelf gegevens aan publikaties van de Wereldbank ontleent. “Veel van de meest vernietigende aanklachten met betrekking tot de prestaties van de Bank kunnen aangetroffen worden in studies van het Operations Evaluation Department”, schrijft hij. Vergeleken met andere multilaterale instellingen betracht de Wereldbank echter een zeer grote openheid en het is onzin om, zoals Rich doet, de Bank te verwijten dat de staf niet alle voorbereidende stukken van projecten en de correspondentie met ontvangende overheden ter beschikking stelt van plaatselijke actiegroepen. De openheid van VN-organisties is aanzienlijk minder, de corruptie en verspilling groter.

Hier wreekt zich de Washingtonse bias van Bruce Rich. Hij zou eens onderzoek moeten uitvoeren in Brussel en de ontwikkelingshulp van de Europese Unie (13,4 miljard gulden in 1993) kritisch doorlichten. Bij mijn weten is nog nooit een onderzoek naar de resultaten en effecten op lokale bevolking en milieu uitgevoerd van EU-hulp. Een andere blinde vlek van Rich is dat hij verontwaardigd is over de milieu-degradatie door projecten van de Wereldbank - en zich ergert aan de financiële steun hieraan van de Amerikaanse belastingbetalers - maar dat hij nergens de grootste milieuvernietiging in de geschiedenis noemt, de planmatige verwoesting, de verspilling van grondstoffen en de gedwongen verplaatsingen van hele bevolkingsgroepen in de voormalige Sovjet-Unie. En evenmin de tientallen miljoenen slachtoffers die zijn gevallen als gevolg van de gedwongen collectivisaties in de Sovjet-Unie of China. De Wereldbank is gevestigd in Washington, en staat daardoor in de Amerikaanse schijnwerpers.

Rich laat geen spaan heel van het vooruitgangsdenken dat de grondslag vormt van ontwikkelingshulp. De wortels hiervan traceert hij bij de grondleggers van de Verlichting, bij Descartes en Bacon. Tot die tijd, schrijft hij, was in de menselijke geschiedenis het begrip 'ontwikkeling' afwezig. Vanaf de zeventiende eeuw kreeg het geloof dat menselijk handelen de samenleving kan sturen de overhand. Rich citeert de valkuil van de vooruitgang uit het slot van Goethes Faust en noemt als vroeg voorbeeld van een ontwikkelingstechnocraat Henri de Saint Simon, de Franse utopisch socialist/industrieel van het begin van de negentiende eeuw. Via de Duitse socioloog Max Weber en diens analyse van bureaucratische organisaties komt Rich uiteindelijk terecht in 1944, het jaar waarin de Wereldbank en het Internationale Monetaire Fonds werden opgericht in Bretton Woods. De twee 'Bretton Woods-instellingen', de schepping van de Britse econoom John Maynard Keynes en de Amerikaan Herry Dexter White, moesten de naoorlogse internationale economische orde gestalte geven. Wederopbouw, ontwikkeling en economische samenwerking moesten een herhaling van de depressie van de jaren dertig voorkomen.

Rich trekt een andere lijn: “De Wereldbank werd gesticht op de puinhopen van de wereldoorlog en de holocaust, die beide mogelijk werden gemaakt door technologie en moderne bureaucratische organisatie.” Zo legt hij een verband tussen de Wereldbank en de holocaust, tussen ontwikkelingsprojecten en vernietiging.

Absurde beschuldiging

Sinds zijn oprichting, vijftig jaar geleden, is de Wereldbank volgens Rich medeplichtig geweest aan een “stille oorlog tegen de diversiteit van de menselijke culturen en de biologische erfenis van onze planeet”. Elders rept hij van “de grootste massa-vernietiging sinds de verdwijning van soorten in het late Krijt”. Dat is een groteske, absurde beschuldiging. Bovendien sluit een dergelijke redenering de ogen voor de talloze, dagelijks in het nieuws te volgen vormen van gewelddadigheden en milieu-vernietiging waarmee de Wereldbank in het geheel niets van doen heeft.

De ecologische schade die projecten van de Wereldbank aanrichten documenteert Rich aan de hand van een aantal bekende voorbeelden, 'ramp-projecten' waarvan de Wereldbank - zoals Rich terloops ook opmerkt - zich in de meeste gevallen inmiddels onder druk heeft teruggetrokken. Daar staat tegenover dat de Wereldbank nog altijd bij een aantal omstreden projecten betrokken is, zoals stuwdammen in Nepal en Noord-Thailand.

De grootschalige projecten die Rich behandelt - het Polonoroeste- en het Carajas-project in het Braziliaanse Amazone-gebied, het Transmigratie-project in Indonesië, diverse stuwdammen in India, Thailand, Brazilië en Indonesië - hebben met elkaar gemeen dat ze leidden tot gedwongen verplaatsing van de lokale bevolking, tot het onder water zetten of kappen van gebieden tropisch oerwoud, tot aantasting van de natuurlijke levensomstandigheden van primitieve volken. Rich is goed gedocumenteerd, als milieu-activist heeft hij zich intensief bezig gehouden met het Amazone-gebied en met de beweging die de rubbertapper Chico Mendes eind jaren tachtig op gang bracht.

Vanaf 1983 begon de Amerikaanse milieubeweging de Wereldbank-projecten kritisch te volgen. Een bondgenootschap van conservatieve Reagan-Republikeinen, sociaal-bewogen antropologen en milieu-activisten keerde zich tegen de Wereldbank (zoals overigens ook de Republikeinen na 1944 de ratificatie van de oprichting van de Wereldbank trachtten te blokkeren). Hun lobby had succes, omdat het Congres, geschrokken door de aanklachten, dreigde geld voor de Wereldbank te blokkeren. In 1986 kreeg de Wereldbank een nieuwe president, Barber Conable, die zich tot taak stelde de geschonden betrekkingen met het Congres te herstellen en om de Wereldbank een groen imago te geven. Milieu-projecten, aandacht voor de positie van vrouwen, aandacht voor inheemse volken en een dialoog met basisgroepen (zogenoemde niet-gouvernementele organisaties) kregen prioriteit. De NGO's werden bij de projectvoorbereiding en -uitvoering betrokken. De rol van de Wereldbank op het gebied van milieu en ontwikkeling werd bekrachtigd met de oprichting van het Global Environment Facility, gezamenlijk met de Verenigde Naties, waarvan de Wereldbank de leiding kreeg op de VN-milieuconferentie in Rio de Janeiro van 1992.

Voor de radicale milieubeweging zijn deze aanpassingen onvoldoende. “De mislukking van het milieubeleid van de Bank is geworteld in institutionele tegenstrijdigheden. In meer opzichten is het ecologische dilemma waarvoor de Bank zich geplaatst ziet, een reis door de politieke en culturele schizofrenie van de moderne tijd.” Instemmend haalt hij de kortgeleden overleden prof. Tinbergen aan, die van mening is dat rijke landen hun produktiegroei moeten stopzetten en ten behoeve van het milieu naar een lagere levensstandaard moeten streven. Meer hulp in de vorm zoals de Wereldbank die verstrekt, is geen oplossing, maar vergroot het probleem van ecologische ontwrichting.

Wat dan wel? Bruce Rich is tegen bureaucratische instituties, tegen vooruitgang en tegen organisaties gebaseerd op natie-staten. Hij vertrouwt in basisbewegingen, in participerende democratie, in gedecentraliseerde besluitvorming. Basisbewegingen bezitten volgens hem de politieke gave om lokale problemen met wereldwijde zaken te verbinden, ze vormen de hoeksteen van de opkomende wereldwijde civil society. In een dergelijke maatschappij van burgers is sprake van doorzichtige besluitvorming, vrijheid, verantwoordingsplicht, en staat de zorg om mensen en milieu centraal. Het gaat Rich “om de vrijheid om de biologische en culturele erfenis op aarde te redden, om de vrijheid van informatie en keuzes, om een project om de aarde te bewaren voor degenen die haar zullen erven”.

Het klinkt paradijselijk - en buitengewoon Amerikaans.

Officiële reactie

De Wereldbank heeft publiekelijk afstand genomen van Mortgaging the earth. Uit ergernis over onjuiste beschuldigingen en uit vrees dat milieu-groepen (vooral in de VS) druk op democratische vertegenwoordigingen zullen uitoefenen om minder of helemaal geen geld voor ontwikkelingshulp goed te keuren, heeft de Wereldbank de uitzonderlijke stap genomen om een officiële reactie op het boek te geven. Daarin wordt een aantal feitelijke fouten gesignaleerd en de kritiek weerlegd. De Wereldbank beklemtoont de eendimensionele invalshoek van Rich die een beperkt aantal projecten beoordeelt en uitsluitend oog heeft voor de ecologische gevolgen. Hij vermeldt geen andere projecten, heeft geen belangstelling voor andere gevolgen en evenmin voor verbeteringen die met hulp van de Wereldbank op een aantal terreinen zijn geboekt.

Wat de kern van de kritiek van Mortgaging the earth betreft houdt de Wereldbank staande dat “ontwikkeling essentieel is om het milieu (in de Derde wereld) te beschermen”. Zonder beter onderwijs, openbare voorzieningen en inkomensstijging is afremming van de bevolkingsexplosie in de Derde wereld, vooral in Afrika, onmogelijk. Tweederde van de tropische ontbossing wordt veroorzaakt door armoede en kan niet gestopt worden zonder snellere economische groei. “Met een miljard mensen die in uiterste armoede leven en een groei van de wereldbevolking met een miljard mensen iedere tien jaar, is het voorstel van 'geen ontwikkeling' een voorstel van niets”, aldus de Wereldbank.

Bruce Rich, afkomstig uit een land dat per hoofd van de bevolking dertig keer meer energie verbruikt dan India, heeft de gerechtvaardigde strijd van lokale bevolkingsgroepen voor behoud van hun natuurlijke leefomgeving en culturele identiteit aangegrepen om zijn eigen strijd tegen materiële lotsverbetering van anderen te voeren. De vraag: 'Wat is ontwikkeling?' blijft daarmee onbeantwoord. In de komende decennia zullen zich in de Derde wereld steeds grotere crises voordoen als gevolg van milieu-vernietiging, acute tekorten, overbevolking en sociale conflicten - met of zonder de aanwezigheid van de Wereldbank. De taak van een ontwikkelingsinstelling zal zijn om dergelijke conflicten zoveel mogelijk te voorkomen, in goede banen te leiden en, in sommige omstandigheden, te redden wat er te redden valt. Bruce Rich ziet daar niets in. Dat is zijn goed recht, maar de mensen, voor wie hij beweert zich in te zetten, zullen hem daar niet bepaald dankbaar voor zijn.