WITTE HACHJES EN ZWARTE VRIENDJES; Frankrijk gaat Rwanda redden

Het Franse leger is gisteren begonnen met een 'humanitaire interventie' in Rwanda. Waar komt het Franse elan zo opeens vandaan? Gaat het om de eer, de politieke toekomst van Mitterrand, Juppé of Balladur? Operatie Turquoise en de Franse erfheerlijkheden in Afrika.

Toen de kardinaal-aartsbisschop van Parijs, Jean-Marie Lustiger gisteren zijn zegen gaf aan Operatie Turquoise kon Frankrijk met een gerust hart het weekeinde ingaan. “Het lijkt mij te stroken met Frankrijks eer om iets te proberen. Al is Frankrijk de minst logische kandidaat, er is niemand anders om het te doen.”

Ook Frankrijk is verrast, om niet te zeggen overvallen door de snelheid en vastberadenheid waarmee de regering in Parijs heeft besloten 'iets' te gaan doen om een eind te maken aan de massamoorden in Rwanda. De publieke opinie is nog nauwelijks wakker terwijl 'onze jongens' al uitgezwaaid worden op het vliegveld Charles de Gaulle bij Parijs en de luchthaven Istres, een militaire basis bij de Middellandse Zee.

De herinnering aan Margaret Thatchers Falklands Oorlog (1982) dringt zich op. Op die eilandjes woonden niet genoeg mensen voor een massamoord, maar het ging ook over een ex-koloniale middelgrote natie die ver van huis een zaak ging bevechten terwijl de rest van de wereld er een beetje glazig bij stond te kijken.

De Argentijnse 'agressie' richtte zich tegen een feodaal Brits bezit aan de andere kant van de aardbol. De Fransen komen op voor het menselijk leven. En toch doet voorlopig niemand mee, had de Veiligheidsraad in New York er een paar lange dagen voor nodig om tot een flets 'Gaat uw gang' te komen en verklaart de Organisatie van Afrikaanse Eenheid zich ronduit tegen de operatie. De wereld vertrouwt de 'honorabele' motieven van de Franse regering niet. De kardinaal ten spijt.

De tegenstrijdigheden in deze Franse Rwanda-excursie buitelen over elkaar heen. Op het moment dat een Franse minister, tevens regeringswoordvoerder komt verklaren dat 'totale eensgezindheid' binnen de regering bestaat over de actie, moet het tegendeel worden aangenomen.

De voorzichtigste man in de huidige regering in Parijs, minister-president Edouard Balladur heeft het langst gezwegen. “Balladur houdt van exacte cijfers. Hij wil precies weten hoeveel dode kinderen er in Rwanda zijn vòòr hij Ja zegt”, zegt een kenner van zijn politiek handelen die niet genoemd wil worden. Pas midden deze week liet de minister-president zich in het openbaar uit over de noodzaak van een snelle actie om verdere moordpartijen te voorkomen. Maar hij stelde vijf voorwaarden, waarvan de laatste de opvallendste was: de Franse troepen moesten liefst op Zaïrees grondgebied blijven, althans Rwanda niet 'diep' ingaan. En eind volgende maand weer naar huis.

Zijn woorden in de Assemblée Nationale konden de indruk niet wegnemen dat Balladur zich gedwongen voelt de actie te steunen, maar er zelf niet op gekomen zou zijn. De binnenlandse verklaring voor die reserve is: een presidentskandidaat Balladur heeft niets aan terugkerende transportvliegtuigen met gedode soldaten. In dat licht gezien is de energieke steun van die andere presidentskandidaat Chirac ook begrijpelijk: hij loopt als niet-lid van de regering geen risico en ziet zijn vriend Edouard graag afbladderen.

Weinig verheven gedachten bij een gedurfde humanitaire actie. Waardiger is de uitlating van minister van defensie François Léotard, zelf ook geen fel bepleiter van het plan: “Ieder kinderleven dat wij redden is er één.” Maar er moet meer zijn dan de strijd om presidentiële opvolging dat verklaart waarom Frankrijk nu en alleen en zo fel die humanitaire impuls volgt. Wat heeft Frankrijk eigenlijk te zoeken in Rwanda? Het is geen oude kolonie. Rwanda was van België. Pas dertig jaar geleden ging het land in Afrika's Hoge Meren-gebied over naar de Franse invloedssfeer.

En waarom pas nu? Toen op 6 april het vliegtuig van Rwanda's president Juvénil Habyarimana was neergeschoten, raakten de pitbull-eskaders van zijn regime voldoende in doodsnood om grootschalig te gaan moorden. Niet alleen de Tutsi's waar de regerende Hutu's eeuwig tegen ageerden, maar ook gematigden van hun eigen soort waren hun leven niet veilig. De schattingen variëren van 100.000 tot 500.000 slachtoffers in twee maanden.

Frankrijk en België zetten 10 april een militaire evacuatie-missie op. Veertien dagen later waren de parachutisten weer uit Rwanda vertrokken. Sommigen Franse militairen die er toen bij waren zeggen nu nog een zwaar trauma te hebben. Hen was verboden iets te doen aan de broedermoord die zij voor hun ogen zagen uitbreken.

Oude kolonie

André Guichaoua, socioloog en afrikanist aan de Universiteit van Lille: “Zij hebben alleen het vertrek van Fransen, Belgen en andere buitenlanders geregeld. Monstrueus hoe de rest van de wereld en de VN geen poot uitstaken, een onvoorstelbaar geval van internationale plichtsverzaking.”

Volgens Guichaoua had de evacuatie-missie ook een verborgen agenda. Parijs had dringend behoefte aan presentabele gesprekspartners uit de omgeving van de vermoorde president, waar zo lang op was gesteund. “Bij de evacuatie zijn leden van de generale staf uit Kigali mee genomen die later een rol kunnen spelen in een vredesproces waarbij twee kanten nodig zijn. Die mensen hebben hun handen de laatste twee maanden niet vuil gemaakt.”

Een andere afrikanist, Jean-François Bayart, zegt dat de april-evacuatie een uiterst pijnlijke operatie was. “Het blanke ambassade-personeel is gered, het zwarte personeel is overgelaten aan de moordenaars. Redding afhankelijk van huidskleur, het is in flagrante strijd met de Rechten van de mens. Enkelen zijn nog door Belgen gered. De Fransen hebben naar mogelijke slachtoffers noch naar daders gezocht. Men had hen verboden te doden omdat de tegenstanders zwart zouden zijn.”

Bayart, 'directeur de recherches' van het Centre d'études et recherches internationales (CERI) in Parijs, is gezien de ernst van de situatie niettemin verheugd met “de complete koerswijziging” in de Franse Afrika-politiek. Het humanitaire argument voor de Opération Turquoise is volgens hem “een boom die het zicht op het bos niet mag benemen. De politieke verklaring is de belangrijkste. Het Elysée heeft de Afrika-politiek van Frankrijk al jaren gedomineerd en die is op een totale mislukking uitgelopen. De Franse diplomatie in grote delen van Afrika is gemarginaliseerd. Ik zie deze actie vooral als een poging van minister Juppé om de Afrika-politiek eindelijk weer in handen van het ministerie van buitenlandse zaken te krijgen en tegelijk op een iets evenwichtiger koers te zetten.”

De theorie van Bayart vindt in de Franse pers nog nauwelijks navolging. Pas de laatste dagen zet men hier en daar vraagtekens bij de wijsheid en de zuiverheid van de hele operatie. De risico's tellen nog niet zo zwaar. De onduidelijkheid over de concrete doelen baart meer zorgen. De steun die Frankrijk zo lang aan de regering van de vermoorde president Habyarimana heeft gegeven, wordt gezien als de pijnlijkste factor. Maar men verenigt zich over het algemeen achter het aureool van de Redder in de nood.

Minister Alain Juppé heeft in zijn eerste aankondiging van de Franse invasiebereidheid (15 juni op de televisie, 16 juni in het dagblad Libération) al afstand genomen van het regerings-kamp in Kigali. Hij wilde een eind maken aan het drama. “De politiek die onze regeringen (lees: socialistische, red.) recentelijk in Rwanda hebben gevoerd is zeker niet foutloos geweest. Maar geen enkele twijfel kan getolereerd worden over de geest waarin de Franse diplomatie in Rwanda heeft gewerkt. Frankrijk heeft in Rwanda nooit de ene etnische groep gesteund tegen de andere.”

Over de noodzaak met het Rwandees Patriottisch Front in gesprek te raken ging het toen nog nauwelijks. Pas deze week werd meer begrip en zendtijd beschikbaar gesteld voor de diepgaande scepsis die bij het RPF bestaat tegen het Franse project. Het woord 'rebellen' wordt steeds minder gebruikt.

Nog dinsdag was de Europese vertegenwoordiger van het RPF, Jacques Bihozagara hoogstens welkom bij de tweede staatssecretaris op het ministerie van buitenlandse zaken, Lucette Michaux-Chevry, verantwoordelijk voor humanitaire actie. Bihozagara weigerde en leidde een anti-Franse demonstratie in Brussel. Donderdag zat deze fiere diplomaat ruim een uur op de Quai d'Orsay bij de Heer des huizes, Alain Juppé die zich wentelde in erkentelijkheid dat de RFP-man Frankrijk een “betrouwbare gesprekspartner voor de toekomst” had willen noemen.

André Guichaoua, hoogleraar in Lille: “De Franse diplomatie is totaal van richting veranderd. Vorige week was Juppé nog solidair met het verleden. Nu wordt Bihozagara met alle eer ontvangen. De regering is keer op keer teruggekrabbeld omdat zij is gaan beseffen dat een interventie tegen de wil van het RPF, dat tweederde van het land in handen heeft, niet kan. Je kan zeggen dat het Franse beleid getuigt van cynisme met als resultaat: het patriottisch front wordt voorlopig van de totale overwinning afgehouden, het regeringsleger is niet definitief verslagen, en de Franse politiek wordt behoed voor complete mislukking.”

Een bijkomend motief voor de hele operatie is volgens Guichaoua dat Parijs zo veel mogelijk wapentuig wil zien terug te krijgen dat in de loop der jaren aan de troepen van Habyarimana is geschonken - volgens schattingen van Le Monde ging het om minstens 20 miljoen franc (bijna 7 miljoen gulden) per jaar. Mitrailleurs, helicopters, vliegtuigen en nachtkijkers. “Niemand zegt het maar het is essentieel.”

Meesterproef

De meest ingewikkelde verklaring voor de Franse daadkracht is wel de strijd tussen het diplomatieke apparaat, met minister Juppé voorop, en het presidentieel machtscentrum. Oppervlakkig gezien is het wel duidelijk waarom Juppé, politiek adjudant van de gaullistische presidentskandidaat Chirac, een socialistische president een lesje wil leren. Maar, weet Juppé welke risico's hij neemt, en vooral, waarom laat Mitterrand hem het initiatief overnemen?

Het antwoord is waarschijnlijk: ja hij ziet de gevaren in, maar hij is bezig een politieke meesterproef af te leggen. Het was Juppé die de in Franse ogen succesvolle diplomatie rond het GATT-akkoord in het najaar orkestreerde. Als hij - terwijl de wereld het gelaat afwendt van het bloedbad - de man wordt die de moed had op te staan, zal hem dat op langere termijn geen windeieren leggen. Juppé gokt op winst en hoopt het risico van verlies waarschijnlijk te kunnen spreiden.

Het meest fascinerend is waarom Mitterrand de hele Operatie Turquoise toelaat. “Iedere minuut telt”, zei hij vorige zaterdag nog in een toespraak voor de Unesco. Vromer platform was nauwelijks te bedenken. Maar waarom is hij voor? Waarschijnlijk omdat hij geen andere keus meer heeft dan de vlucht vooruit.

Mitterrand is bezig met zijn plaats in de geschiedenis. Zijn Afrika-politiek is in duigen gevallen. Rwanda is de apotheose van een serie persoonlijke beslissingen en bemoeienissen waarover het laatste woord nog niet gezegd is. Door nu als president van Frankrijk de humanitaire redding van het jaar, als het kan van het decennium, op zijn naam te brengen zou hij in één groot gebaar het Afrikaanse aangezicht van het Mitterrand-monument hebben gerepareerd.

De Franse pers schrijft er dezer dagen geen letter over, maar vrijwel iedere afrikanist duidt er op de één of andere manier op: Frankrijks Afrika-politiek is niet te begrijpen zonder helder zicht op het personalistisch karakter daarvan. Franse politici die het hebben over “mes amis Africains” bedoelen dat letterlijk.

Het meest openlijk spreekt en schrijft daarover Jean-François Médard, hoogleraar verbonden aan het Centre d'études de l'Afrique noire aan de universiteit van Bordeaux. Hij heeft regelmatig gepubliceerd over de sociologie van de betrekkingen tussen Franse en Afrikaanse machthebbers. Collega's noemen hem moedig, zij menen te weten dat het waar is, wat hij hardop durft te zeggen.

Hij vat een deel van dat werk nog eens samen in een hoofdstuk van een binnenkort te verschijnen bundel 1). Het heet 'La patrimonialisation des relations franco-africaines: politieke, economische en sociale uitwisseling'. Vrij vertaald: het netwerk van erfheerlijkheden in de Frans-Afrikaanse betrekkingen.

Médard schetst hoe sinds De Gaulle (president vanaf 1958) de betrekkingen - vooral die met de Frans-sprekende - Afrikaanse landen aan het staatshoofd persoonlijk toebehoorden. De Gaulle had daar een vertrouweling voor, Jacques Foccart. Die heeft zeventien jaar kunnen borduren aan een netwerk waar persoonlijke en politieke vriendschappen en financiële belangen onontwarbaar door elkaar heen liepen.

'Le Système Foccart' had het belang van Frankrijk op het oog. De man was niet in de eerste plaats op geld uit, maar de ondoorzichtige transacties die er bij hoorden leverden sommige individuen uit het gaullistische netwerk en de betrokken Afrikaanse staatshoofden wel veel geld op. Groten in Frans Afrika als Houphouët-Boigny, Bongo in Gabon, Senghor in Senegal, Ahidjo in Kameroen en Moboetoe in Zaïre horen er bij.

De Gaulle was realistisch genoeg om in te zien dat het klassieke kolonialisme niet houdbaar was. Met het systeem-Foccart installeerde hij een neo-koloniale situatie die “heeft bijgedragen aan het installeren van autoritaire regimes en een algemeen gebruikelijk geworden corruptie”.

Het gevolg daarvan was niet alleen dat Frankrijk in Afrika betrokken raakte in allerlei bedenkelijke affaires, Frankrijk werd “ook zelf het object van manipulaties met geld uit zwarte kassen van bepaalde Afrikaanse en middenoosterse landen, met in de eerste plaats Gabon en Irak. Dat is vooral ten goede gekomen aan de financiering van Franse politieke partijen en verkiezingscampagnes.”

President Pompidou heeft Foccart in dienst moeten houden, maar was minder gevoelig voor het 'systeem'. President Giscard d'Estaing (1974) stelde zijn eigen Afrika-man aan, maar bewees met het grootscheeps uitgelekte schandaal rond de diamanten die hij had aangenomen van de Centraal-afrikaanse vorst Jean-Bedel Bokassa dat ook hij genoot van erfheerlijke politieke betrekkingen.

Wie had gehoopt dat met de komst van de socialist Mitterrand in 1981 een eind zou komen aan deze manier van politiek bedrijven, kwam bedrogen uit. Médard citeert Sylvie Brunel (Le gaspillage de l'aide publique, Paris, Le Seuil, 1993): “Links heeft de bestaande praktijken voortgezet met even veel cynisme en compromissen als zijn voorgangers”.

Mitterrand had één probleem. Hij kon niet werken met de gaullistische zakelijk-politieke netwerken van het vorige regime. Hij benoemde toen als zijn Monsieur Afrique een vriend, Guy Penne, socialist en hoogleraar tandheelkunde. Geen kenner van Afrika maar wel een vrijmetselaar, wat hem entree zou geven bij veel Afrikaanse leiders. Na een paar jaar raakte Penne betrokken in een schandaal met ontwikkelingshulp. Hij werd opgevolgd door Mitterrands oudste zoon Jean-Christophe, die eerder als journalist in een paar Afrikaanse landen had gewerkt en op het paleis van zijn vader was begonnen als documentalist. Jean-Christophe Mitterrand heeft een kleine tien jaar zelfstandig het Franse Afrika-beleid gestalte gegeven. Hij maakte gebruik van het ministerie van Ontwikkelingshulp (het voormalige Kolonieën) als presidentiële boodschappendienst voor francofoon Afrika.

Ondanks een grote voorzichtigheid komt Bédard tot een duidelijke conclusie: “De zoon van de president, met zijn meer of minder aanbevelenswaardige vrienden, is betrokken bij een veelheid van gevallen van zwarte handel. Hij is daar nooit voor vervolgd. Zijn vader heeft hem in 1992 uit zijn baan op het Elysée ontheven omdat het toen broeiende schandaal de president zelf zou kunnen schaden.” Junior zou te maken hebben gehad met een cacao-schandaal in Ivoorkust (Houphouët-Boigny). De verwoesting van bossen in Kameroen en de schending van het wapenembargo tegen Zuid-Afrika via marxistisch Congo. “De democratie eindigt waar het staatsbelang begint”, heeft de huidige rechtse minister van binnenlandse zaken Charles Pasqua onlangs in een ander verband gezegd. Het is een uitspraak die van toepassing lijkt op de personalistische Afrika-praktijk - misschien een beter woord dan 'politiek' van de Franse elite.

Rwanda is geen rijk land waar grote handelsvoordelen waren te halen. Maar in de conservering van een franstalig en bevriend Afrika speelde het dankzij het jarenlang stabiele regime van Juvénile Habyarimana een nuttige rol. Bovendien waren de Mitterrands en de Habyarimana's ook persoonlijk erg op elkaar gesteld geraakt. Daarom drong informatie over verkeerd gebruik van Franse militaire hulp en de training van gevaarlijke strijdgroepen, die voor het oprapen lag, niet tot het Elysée door.

Vandaar dat Parijs op 6 april in de eerste plaats dacht aan het redden van witte hachjes en zwarte vriendjes. En vandaar dat Juppé noch Mitterrand niet eens zo veel te verliezen hebben met deze humanitaire invasie. Als het een beetje helpt, is Frankrijk in een uitstekende positie een rol van belang in de regio te (blijven) spelen. “L'honneur de la France”, zoals de kandidaat zei, verzet zich daar niet tegen.

1) La corruption dans les régimes pluralistes, red. Yves Meny en Donatella Dellaporta, uitgeverij Actes Sud