STRIJD TEGEN DE NACHTMERRIES; Rwandese vluchtelingen willen alles vergeten

Het grootste vluchtelingenkamp ter wereld ligt aan de grens met Rwanda in Tanzania. In kamp Benako bivakkeren de overlevenden van een volkerenmoord - de trauma's die dat met zich mee brengt kunnen tot volledige ontwrichting leiden. Artsen Zonder Grenzen onderzocht eerder deze maand hoe de emotionele ellende kan worden beperkt. Een Nederlandse psychiater doet verslag.

Over de heuvels ligt een lichtblauwe vernislaag. Het is de eindeloze aaneenschakeling van hutjes van het kamp Benako in Tanzania, waar 350.000 vluchtelingen uit het buurland Rwanda zijn opgevangen. Als het tien kilometer verder naar het westen lag, zou het de grootste stad van Rwanda zijn. De UNHCR, de vluchtelingen-organisatie van de Verenigde Naties, deelt er grote stukken blauw plastic uit. Nieuwkomers in Benako verzamelen houten stokjes, buigen ze en knopen ze aan elkaar tot een houten geraamte in de vorm van een halve cilinder. Met het plastic er overheen ontstaat een waterdicht en ondoorzichtig hutje, een blindé. Je kunt er niet in staan, ook de kleine Rwandees niet.

In zeker opzicht lijkt het kamp op een Europese stad: een oude kern omringd door nieuwbouw. De eerstgekomenen bouwden hun blindé's vlak tegen elkaar, zo dicht mogelijk bij het inmiddels vervuilde meertje dat het kamp van water voorziet. In de 'binnenstad' krioelt het, maar de nieuwe wijken zijn georganiseerd in ruim opgezette straten en blokken. In het kamp hangt overal de rook van houtvuurtjes. Je ogen prikken er van, je wrijft ze kapot. En er zijn de vliegen, die van mensenmassa's houden vanwege hun poep, voedsel en wondjes, en zo de boosdoeners zijn achter de meest voorkomende ziekten: dysenterie en conjunctivitis.

Dagenlang loop ik door Benako en praat met bewoners, samen met de anthropologen Willem van de Put en Johan de Smedt. Over de Rwandese cultuur en omgang met emoties is bijna niets beschreven. De bevolking van het kamp is zo groot als Utrecht, de zojuist doorgemaakte trauma's zijn extreem. Alle bewoners hebben in allerijl en met doodsangst hun woning, hun sociale omgeving en hun bezigheden moeten achterlaten. Bijna allemaal hebben ze zich een vluchtroute gebaand door verminkte, levenloze lichamen. Velen zagen hun geliefden en kinderen vermoord worden. Het huidige bestaan komt neer op overleven, de toekomst is volledig onzeker.

De bewoners van het kamp vertellen ons dat zich onder hen ook de moordenaars bevinden, ze kennen en herkennen hen. Sommigen zijn bang, ook hier in Benako. Met reden: er vinden nog moorden plaats. Anderen zeggen: we zullen ooit toch samen verder moeten, en bovendien zijn niet zíj de aanstichters van het kwaad maar hun leiders, ze handelden in opdracht. Dat zijn vergaande rationalisaties, waarvan je je niet kunt voorstellen dat ze lang zullen standhouden. Wraak?

Mini-maatschappij

We lijken ons iets onmogelijks te hebben voorgenomen. Toch zijn professionals er al eerder in geslaagd een psychosociaal programma uit te voeren in vluchtelingenkampen in een ontwikkelingsland. Niet via psychotherapie, maar door er toe bij te dragen dat de mensen elkaar steunen met de middelen die ze gewend zijn. Praktische hulp, onderlinge uitwisseling, gezamenlijke rituelen en culturele uitingen: de opbouw van een mini-maatschappij, zoals hier in Benako. Het is bekend dat na verloop van tijd ernstige psychiatrische stoornissen ontstaan die niet alleen tot depressies en lichamelijke klachten leiden, maar ook tot onderlinge agressie. Het is dus zinvol om vroeg aan preventie te doen, net als bij andere ziekten. Of dat ook kan, moet blijken.

Kort nadat begin april de burgeroorlog uitbrak en de internationale hulpverlening in konvooi Rwanda verliet, was anthropoloog De Smedt al in Benako te vinden. Daardoor kent hij nu de weg in het kamp; hij heeft via zijn tolken uit de kampbevolking informatie verkregen over de beginnende sociale struktuur in Benako. Hij kan ons ook leiden naar de café'tjes in het kamp, waar we hem erg dankbaar voor zijn. Op wiebelige bankjes vegen we ons stoffig zweet weg.

Over het brede, stoffige pad van harde rode aarde dat het kamp doorkruist trekt een onafgebroken optocht van kampbewoners. Mannen, vrouwen en kinderen van alle leeftijden, onderweg naar of van een distributiepunt. Niemand loopt met lege handen, iedereen heeft iets op het hoofd: takkenbossen, hele boomstammen, pannen, jerrycans. Uit transistorradio's klinkt het vervormde geluid van opgewonden muziek of al even opgewonden nieuwslezers. In het laatste geval vormt zich meteen een groep om de geluidsbron: hoe gaat het in Rwanda? Langs het pad wordt levendige handel gevoerd in etenswaren, hout, en lichtblauw plastic. De mensen zijn met al het geld gekomen dat ze hadden, en hebben gretige Tanzaniaanse kooplieden weten te vinden. Ze houden niet van het mais dat de UNHCR uitdeelt, de kinderen krijgen er maagkrampen van, en ze ruilen het voor vis of geitevlees. Vluchtelingen laten zich twee keer registreren en ruilen hun extra stuk plastic voor sprokkelhout.

Langs het pad staan ook de café's, de enige hutjes waar je in kan staan, voor de helft in beslag genomen door stapels kratten bier en frisdrank, gekocht van de Tanzaniaanse handelaren. Tegenover ons zit Joseph, De Smedts Engelstalige tolk. Achter zijn bebrilde, intelligente hoofd trekt in de stof- en rookwaas de stoet voorbij. Een ring van kinderogen staart ons onafgebroken aan, zware last op het hoofd of niet. Joseph glimlacht meestal tijdens het praten, ook als hij vertelt hoe hij zijn moordenaars ontvluchtte door uit de auto te springen waar ook zijn vrouw en kinderen in zaten. Na een tijd schuilen zocht hij de auto op, die in brand bleek te staan. Hij durfde niet te gaan kijken.

In Benako is hij alleen, wel woont hij er temidden van zijn commune, de restanten van de gemeenschap waar hij thuis toe behoorde. In Rwanda vindt geen gewone oorlogsvoering plaats, zegt hij, de mensen moorden er met de smaak waarmee je een stokbrood knakt. Joseph is econoom, hij kent de wereld en het Westen. Hij werd opgeleid in Polen, eind tachtiger jaren. In Rwanda was hij directeur van een school. Misschien verklaart dat de trotse, wat ijdele manier waarop hij zich presenteert. Ik moet niet treuren, zegt hij glimlachend, het verleden is voorbij, ik ben nu in Benako en daar moet ik gelukkig mee zijn. Ik denk aan de toekomst, een begin van een nieuw leven. Verbijsterd zwijgen we.

Bijna zonder uitzondering vertellen onze gesprekspartners dat het niet goed is om teveel na te denken. Je moet vergeten, van tobben wordt alles erger. De Rwandees, zo wordt ons voorgehouden, helpt iemand met emotionele problemen door hem gezelschap te bieden en af te leiden. Laten we kaartspelen en bier drinken. Niet iedereen is zo gepantserd als Joseph. In onze gesprekken horen we van mensen die met nachtmerries wakker worden, over obsessieve herinneringen, fobische vermijdingsreacties, schrikachtigheid, apathie en terugtrekgedrag. Maar ieder zingt dezelfde ballade: probeer te vergeten, praat er niet over en zoek afleiding.

Bijna alle priesters zijn vermoord, maar op zondagochtend wordt in het kamp het geloof urenlang uitbundig en gezamenlijk beleden. We horen over umupfumu's, de traditionele genezers, en De Smedt spreekt ze. In Benako zijn ze krachteloos: de kruiden en attributen die ze nodig hebben zijn hier niet te vinden en de potentiële klanten hebben geen geld genoeg voor een behandeling. Bovendien, wordt ons lachend verzekerd, de voorouderlijke geesten waar ze kontakt mee zoeken kunnen geen landsgrenzen passeren. Toch verwachten we dat de genezers op langere termijn hun krachten zullen herwinnen, al was het maar omdat de Rwandezen een beroep op hun hulp zullen doen.

Willem van de Put woont een bijeenkomst bij van de HIT's, de Health Information Technicians, onder leiding van verpleegkundige Jet. Zij leidt de HIT's, allen zelf vluchteling, op om te zijner tijd te waken over de gezondheid van elk duizend bewoners in één gebied van Benako. Na de aardbeving vorig jaar in India heb ik kunnen zien hoe effectief de door de overheid gezonden psychosociale teams probleemgevallen opspoorden, via een bezoek aan elke tent in de tijdelijke kampen voor daklozen. Van de Put legt de HIT's onze bedoelingen voor. We zullen hen nodig hebben en ook moeten trainen op het gebied van de geestelijke gezondheid. Gelukkig ontmoet hij herkenning en enthousiasme.

Intussen loop ik met de Franstalige tolk Alphonse tussen de blindé's. Op mijn verzoek leidt hij me de hut van een zesjarig meisje over wie ik heb gehoord. Ze slaapt de hele dag, zegt de moeder. 's Nachts rende ze eens plotseling de blindé uit en schreeuwde, het ging over militairen. Sinds zij hier zijn praat het kind uitsluitend met haar moeder, en dan nog verward. Ze moet gevoerd worden en eet met heel kleine hapjes. We hurken voor de blindé en schuiven het doek opzij. Binnen kijken twee kinderen ons nieuwsgierig aan, in de hoek slaapt het meisje. Voorzichtig tik ik op haar schouder, en nog eens. Geen reactie. Achter ons heeft zich een grote kring toeschouwers gevormd, onder wie haar moeder. Haar broertje helpt ons haar te wekken, nu wat daadkrachtiger, en ze schrikt omhoog. Hallo, zeg ik met een glimlach. Zachtjes piepend begint ze te huilen. Ik voel me meteen onhandig, zeker met de volle tribune achter me. Telkens zodra ik haar blik zoek en glimlach begint ze stil te jammeren. Ik doe verder maar niets.

Gummipoppen

De brug spant zich hoog boven de rivier die de grens tussen Rwanda en Tanzanië vormt. In de diepte kolkt het bruine water, vijftig meter vóór ons stort een immense waterval zich erin leeg. In een bochtige inham in de rotsen heeft zich een soort eeuwige draaikolk gevormd. Daar drijven als gummipoppen de lichamen van vijf of zes mensen, half ontkleed, opgeblazen en wit; het water heeft het pigment uit de huid gespoeld. De ledematen zijn gebogen en gespreid, lijken slap. Er zijn kinderen bij. Een gezin? Ze worden tegen elkaar aan geslingerd en draaien heen en weer, op en neer, misschien al weken en misschien nog maanden.

Vanuit Ngara, waar veel hulporganisaties huizen, is het vijf kwartier rijden naar Benako. Het is een weg in aanbouw. Een Italiaans bedrijf was er al mee bezig als ontwikkelingsproject voordat het vluchtelingenkamp ontstond. Kleine stukjes van de weg zijn vlak, maar het grootste gedeelte is net uit de roodbruine rotsen gehakt. Halverwege kruist een rivier de weg. Er wordt aan een brug gewerkt, maar nu is het nog behelpen met een handgedreven veerpontje, waar vier auto's en zo'n vijftig mensen op passen. De wachttijd bedraagt soms een uur. Een groep vluchtelingen, op blote voeten onderweg van het aankomstkamp in Ngara naar Benako, staat aan de oever of wast zich in het bruine water. Kinderen blijven wonderlijk rustig bij de ouderen staan. In de rij wachtende auto's steken de witte Landrovers en Toyota's van het internationale hulpverlenersgilde rijk af tegen twee roestige vrachtauto's met hun laadbakken vol vluchtelingen.

We hurken in de schaduw, roken een sigaret en delibereren over wat we hier kunnen doen. De bewoners van Benako hebben voorlopig al hun kracht nodig om er zich een plek te verwerven. Er is geen ruimte en geen tijd om aan emoties toe te geven, ook al pasten die binnen de cultuur. Bovendien arriveren er nog dagelijks honderden nieuwkomers in het kamp, wat de hoop op hereniging met familieleden in stand houdt. Voor rouw is het te vroeg. Als de hoop vervlogen is en het kampbestaan een uitzichtloze routine wordt, komt de klap.

We zullen eerst de vluchtelingen proberen te helpen met vergeten, met afleiding zoeken om zo hun emoties uit te schakelen. We gaan een kerngroep uit de kamppopulatie opleiden om samen met het mental health team van Artsen Zonder Grenzen het programma uit te voeren. Bij de UNHCR hebben zich bovendien vluchtelingen laten registeren die op zoek zijn naar betaald werk. Daar zijn psychologisch geschoolden en maatschappelijk werkenden bij. We trainen HIT's en schoolleraren om emotionele problemen te herkennen.

Pas als de problemen zich volop manifesteren gaan we ons rechtstreeks richten op emotionele ondersteuning. We gaan daartoe counselors trainen, die uit de kerngroep en de eerste trainingsgroepen worden geselecteerd. Zij brengen vluchtelingen bij elkaar die iets gemeenschappelijks hebben - sekse, of woonverband - om ervaringen te delen en elkaar emotioneel en praktisch te ondersteunen.

Anneke de Boer is arts en werkt in Benako. Ze heeft eerder in een vluchtelingenkamp in Rwanda gewerkt, met assistenten uit de plaatselijke bevolking. Een aantal van hen is hier, maar nu als vluchteling. Met hun kennis hadden ze meteen betaald werk kunnen vinden in Benako. Ze hebben gewacht op de Nederlanders, en werken nu op onze gezondheidsposten. Jeandedieu is één van hen. Hij geeft Anneke een brief met een boodschap voor zijn familieleden, in de hoop dat ze deze kan doorgeven aan een radiostation. Hij weet niet waar ze zijn en of ze leven. Voor het eerst, en het laatst, zie ik een kampbewoner emotie tonen.