Peter van Ingen: Hilversum gaat niet ten onder

Zomergasten begint weer op 24 juli met ex-Fokker-topman Swarttouw.

Peter van Ingen (Amsterdam, 1950), programmamaker en sinds begin dit jaar groepsredacteur actueel-informatieve programma's van de VPRO: “Natuurlijk gáát Hilversum niet ten onder, Hilversum ís al ten onder gegaan. Haha. Maar in ernst: de commerciële concessies zijn heel erg groot. Men spreekt al van verdien-netten. Daar heeft de VPRO ook last van. Wij mogen bijvoorbeeld pas beginnen met Van Kooten & De Bie wanneer op Nederland 1 een amusementsprogramma is afgelopen. De VPRO zal nooit een groot publiek bedienen. Dat hoeft ook niet, maar dat mag natuurlijk niet betekenen dat we weggestopt worden op armzalige uren. Het derde net is gebaat bij een sterke en grote VPRO.

Met kijkdichtheden heb ik niks. Het gaat er ons om hoe er gekeken wordt. Het gaat om het effect van een uitzending. Onze kijkers zijn bereid na te denken en geprikkeld te worden. En ze zitten vaak op posities waarin die ideeënvorming doorstroomt.

De VPRO blijkt een soort standaard te zijn, in positieve of in negatieve zin. Wij doen wat andere omroepen niet aandurven.

Toen ik er in 1988 kwam werken, was de VPRO nog een B-omroep. Vijftien programmamakers zaten er eens in de twee weken op een zolderkamertje. Dat heette de centrale redactie. Dat was nog heel beheersbaar. De status van A-omroep maakt een zekere mate van organisatie nodig. Als groepsredacteur ben ik verantwoordelijk voor programma's als Lopende zaken, Diogenes, Open Deur-tv, de discussieprogamma's van Anil Ramdas en straks Paul Scheffer, de grotere debat-programma's, Symposium en Marco Polo.

Het was bij de VPRO heel ongebruikelijk dat men van elkaar wist wat men deed. Meestal zag je andermans werk pas bij de uitzending, als je al tijd had om te kijken. Ik probeer makers meer te betrekken bij elkaars programma en ideeën en ik probeer hen letterlijk onder één dak te brengen, in de hoop op samenwerking, samenhang en een vruchtbaarder klimaat voor nieuwe ideeen. En ik probeer te bevorderen dat men zich betrokken voelt bij de VPRO. Door de fixatie op het eigen onderwerp begon men ook de hartslag van de samenleving uit het oog te verliezen.

Mijn hulpverleningsachtergrond heb ik aardig achter mij gelaten, maar het heeft mijn visie op de maatschappij wel beïnvloed. Want ik heb van zeer nabij ondervonden waartoe mensen in staat zijn. Hoe ze elkaar kunnen afslachten. Die slechte kant fascineert me. Het is onzin om te zeggen dat mensen op Janmaat stemmen omdat ze teleurgesteld zouden zijn in de PvdA. Veel mensen denken nu eenmaal gewoon racistisch. Begin vorig jaar ontwikkelde ik het idee voor Marco Polo, toen ik merkte dat de journalistiek en de policici - PvdA-voorzitter Rottenberg voorop - alsmaar bleven volhouden dat de oude buurten beheersbaar waren. Dat ze konden volstaan met er doorheen te lopen. Ik wilde de mythe van de oplosbaarheid van de problemen doorprikken en formeerde een team dat een tijdje in de Amsterdamse Mercatorbuurt ging zitten. We hebben de tijd genomen om te registreren wat daar werkelijk omgaat. Daar komt het telkens weer op neer: dat je ergens de tijd voor neemt. Daarom gaat voor Diogenes een cameraploeg niet één dag voor een reportage naar het buitenland, maar tien dagen. Het gaat vaak om de spanning tussen actualiteit en diepgang.

Voor Belevenissen plakte ik me vier dagen vast aan iemand, ging letterlijk naast zo'n persoon staan. Op die manier dring je verder door tot wat iemand beroert. Als je te hard tegen iemand tekeer gaat, sluit hij zich af en praat hij alleen nog maar in clichés. Ik probeerde net te doen alsof ik niet van de televisie was. Door onze voortdurende aanwezigheid was een hoofdpersoon zich gaandeweg niet meer bewust van camera en geluid. Belevenissen heb ik vier of vijf seizoenen gedaan. Dat was voor de VPRO erg lang.

Symposium is ontstaan vanuit de behoefte aan een discussieprogramma bij de VPRO. Maar ik wilde niet zo'n geijkt programma waarin iedereen bepoederd, bemoederd, geïntimideerd en voorgeprogammeerd de studio betreedt, zonder enig risico en met steeds dezelfde 'deskundigen' aan het woord.

Op symposia in dit land kom je andere mensen tegen. Het fascinerende vind ik dat je naar iets vreselijks droogs gaat. Is er iets ergers te bedenken dan een symposium? Iedereen valt halverwege in slaap. En om daarvan dan spannende televisie te maken! Aan het eind van de dag komen we binnen met vier camera's. Van tevoren heb ik geen idee hoe het gesprek zal verlopen. Ik heb één velletje met wat aantekeningen. Het verbaast me nog altijd dat ik daar als volkomen ondeskundige toch geaccepteerd wordt. In die discussies komt meer naar boven dan wanneer ik diezelfde mensen aan een tweegesprek zou onderwerpen. Ik neem meestal 10 minuten langer op, we moeten het dus bijna in real time doen. Wat dat betreft wil ik risico lopen. Dat vind ik interessant. Ik moet het erg hebben van mijn adrenaline.

Bij Zomergasten heb ik een moeilijke rol. Ik zit daar niet om iemand door te zagen. Ik ben de gastheer van iemand die zijn of haar ideale televisie-avond heeft samengesteld. Ik stel me daarom terughoudender op. Die afwachtende houding blijkt wel eens arrogant over te komen.

Als iemand mij in de krant onbekwaam noemt, dan lig ik daar niet wakker van. Natuurlijk is er een aantal mensen van wie ik kritiek serieus neem: Max Pam, Stan van Houcke, Jan Wolkers, Roelof Kiers en nog een paar minder bekende. Door anderen laat ik me niet uit het veld slaan. Op maandagmorgen kan iemand zeggen: Adelheid Roosen heeft die Van Ingen behoorlijk ingepakt. Maar ik heb dan zelf niet het idee dat ik ben ingepakt. Ik denk dan: zij heeft zichzelf vrij aardig geportretteerd. Een onzinnig misverstand wil dat televisie je een enorme status verschaft, dat je op televisie niet af zou mogen gaan. Op televisie zijn mensen vaak zichzelf niet meer, de interviewer noch de geïnterviewde.

Mijn motoriek staat haaks op de televisie-wetten. Ik ben geen tv-bewust persoon. In Symposium loop ik geregeld een camera voor de voeten. Ik wil daar niet bij nadenken. Dat is een bewuste strategie. Als ik daarmee rekening zou houden, dan zouden we echt televisie gaan maken. En dan ben je niet meer met de werkelijkheid bezig.''