Nederlands wankel evenwicht

J.L. Price: Holland and the Dutch Republic in the Seventeenth Century. The Politics of Particularism 312 blz., Oxford University Press 1994, ƒ 112

Met de zeventiende-eeuwse Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was het vreemd gesteld. Ze was een van de machtigste mogendheden van Europa. Ze had in een tachtigjarige strijd het veel grotere Spanje verslagen, legde de Scandinavische landen haar wil op en behaalde klinkende overwinningen op Engeland. Ze vormde de onmisbare spil van een groot aantal bondgenootschappen, die er ten slotte in slaagden de expansie van Frankrijk tot staan te brengen. Deze politieke macht werd geschraagd door de modernste, de meest efficiënte en de snelst groeiende economie ter wereld. Nergens was de arbeidsproduktiviteit groter, nergens het inkomen - en de belastingopbrengst - per hoofd van de bevolking zo hoog als in de Republiek. En alsof dat alles nog niet genoeg was, dwongen de beoefening van de beeldende kunsten, wetenschap en techniek, kortom de verbazingwekkende bloei van de Nederlandse cultuur, alom bewondering af.

Het eigenaardige is echter dat deze opmerkelijke prestaties zich afspeelden binnen het kader van een door-en-door archaïsche staatsvorm. De moderne, progressieve regeringsvorm in de zeventiende eeuw was de absolute monarchie, waarvan het Frankrijk van Lodewijk XIV het meest aansprekende voorbeeld was. Alleen een krachtig eenhoofdig gezag dat de absolute en onverdeelde soevereiniteit belichaamde, zo meende men, kon voorkomen dat de staat zou uiteenvallen in burgeroorlog, chaos en anarchie.

De Nederlandse Republiek scheen in alle opzichten het tegendeel van dit model. Het centrale gezag was er in extreme mate gedecentraliseerd. De Verenigde Provinciën waren eigenlijk in het geheel geen staat, maar - zoals de naam al aangaf - slechts een bondgenootschap van zeven onafhankelijke staatjes, die slechts enkele bevoegdheden (en dan nog schoorvoetend) hadden gedelegeerd aan een aan handen en voeten gebonden Staten-Generaal. En binnen die autonome staatjes lag de macht niet bij de in naam soevereine provinciale statenvergaderingen, maar bij de lichamen die er hun afgevaardigden heen zonden, de stemhebbende steden en de provinciale ridderschappen. De enige figuur die een quasi-monarchale, unificerende rol in de Republiek had kunnen spelen, de prins van Oranje, was formeel niet meer dan een ambtenaar in dienst van de verschillende statenvergaderingen.

De vraag is dus hoe de Nederlanders in de zeventiende eeuw hun successen konden behalen: ondanks het omslachtige politieke kader waarbinnen zij moesten werken, of op de een of andere manier toch juist dankzij deze merkwaardige staat? De meeste tijdgenoten waren van mening dat het eerste het geval was; het oordeel van het merendeel der historici wijkt hier nauwelijks van af. Zo zag de grootste Nederlandse geschiedkundige uit de negentiende eeuw, Robert Fruin, het tijdperk van de Republiek als een betreurenswaardige terugval in een proces van staatsvorming, dat begonnen was onder de Bourgondische en Habsburgse landsheren en zijn voltooiing vond in de monarchale eenheidsstaat van zijn eigen tijd. Net als zijn tijdgenoten zag hij het ontstaan van sterke, centraal geleide staten als het belangrijkste proces van de Europese geschiedenis. De taak van ieder volk was zo'n gecentraliseerde staat binnen zijn eigen territorium tot stand te brengen. In het vervullen van deze historische taak hadden de Nederlanders jammerlijk gefaald. Dat een Nederlands nationaal besef eerder het gevolg dan de oorzaak was van het bestaan van een Nederlandse staat, kon hij nog niet zien. Handel, economie en cultuur in de Gouden Eeuw zijn dan ook het onderwerp van vele overzichtswerken geweest, maar aan het Nederlandse politieke bestel is tot nu toe betrekkelijk weinig aandacht besteed.

De laatste jaren komt er echter verandering in deze negatieve beoordeling. Van verschillende kanten heeft men er op gewezen dat de staat, hoe weinig efficiënt hij er op papier ook mocht uitzien, in de praktijk heel goed werkte. Jonathan Israel heeft bijvoorbeeld betoogd dat zelfs de bloei van de Nederlandse economie voor een groot deel te danken was aan de kracht van het staatsapparaat, dat er onder meer in slaagde de Sont open, en de Schelde gesloten te houden.

Loyaliteit

Het boek van Leslie Price past in deze revisionistische stroming. De kern van zijn betoog is dat het politieke systeem van de Republiek opmerkelijk efficiënt functioneerde, zeker in vergelijking met andere politieke stelsels uit dezelfde tijd; niet ondanks de extreme mate van decentralisatie die het systeem kenmerkte, maar juist als gevolg ervan. De elementen die door tijdgenoten en historici als de zwakheden werden gezien, vormden juist de kracht van de Republiek. Net als in de rest van Europa lag de loyaliteit van de ingezetenen primair bij hun eigen stad of regio, en pas in de allerlaatste plaats bij de staat. Het politieke systeem van de Republiek speelde hierop in, in plaats van - zoals de absolute monarchieën deden - er tegenin te gaan. Doordat de besluitvorming zich op een laag niveau afspeelde, had de Nederlandse staat - al was deze zeker geen democratie - een aanzienlijk breder draagvlak dan de contemporaine monarchieën.

Zoals de titel al aangeeft, is de opzet van Holland and the Dutch Republic in the Seventeenth Century bewust en schaamteloos hollando-centrisch. De rechtvaardiging hiervoor is dat het politieke zwaartepunt van de Republiek nu eenmaal in Holland lag, dat in zijn eentje zo'n 45 procent van de bevolking herbergde en voor bijna 60 procent in de generale middelen bijdroeg. Het boek volgt de structuur van het politieke systeem door het van beneden naar boven te behandelen: het begint bij de politieke verhoudingen in de Hollandse steden, analyseert vervolgens hoe die steden in de Staten van Holland vorm gaven aan de gewestelijke politiek, om tenslotte terecht te komen bij de rol die Holland speelde in de politiek van de Unie als geheel.

Price komt tot zijn positieve oordeel over de Nederlandse staat doordat hij systematisch de nadruk legt op de werking van het systeem in de praktijk, los van de formele en constitutionele aspecten. Theorie en praktijk blijken vaak ver van elkaar verwijderd te zijn. Zo waren de stemhebbende steden in Holland in de statenvergadering formeel aan elkaar gelijk, maar was Amsterdam in werkelijkheid natuurlijk veel machtiger dan de zeventien overige steden en stadjes. Met zijn 200.000 inwoners aan het einde van de eeuw vormde het net zo'n waterhoofd in de Hollandse politiek als Holland in het geheel van de Republiek. De kleinere steden konden dus geen politiek bedrijven tegen de wil van Amsterdam zonder dat ze het politieke systeem als geheel in gevaar brachten. Andersom kon Amsterdam het zich evenmin permitteren de overige steden zijn wil op te leggen. In de praktijk werkte men dus meestal samen. Iets dergelijks was het geval in de generaliteitspolitiek. Het overwicht van Holland was een van de factoren die het geheel bij elkaar hielden. Holland kon echter niet de centrale politiek van de Unie dicteren, zo min als de andere gewesten iets konden ondernemen tegen de zin van Holland, dat uiteindelijk de rekening moest betalen. Het beginsel van de provinciale autonomie (het veel gesmade gewestelijke 'particularisme') hield op paradoxale wijze de unie bij elkaar, doordat het zowel het belang van Holland als dat van de andere gewesten diende. Particularisme was dus geen explosieve, maar een integrerende kracht binnen de Republiek. Het voorkwam dat Holland werd overstemd door de permanente meerderheid van de kleinere provincies in de Staten-Generaal, en stelde tegelijk Holland in staat de leidende rol in de politiek van de generaliteit te spelen, waarop het op grond van zijn economische overwicht aanspraak kon maken.

Oldenbarnevelt

Het andere eenheidscheppende element in het politieke systeem was het stadhouderschap. De stadhouder, die meestal kon steunen op de landgewesten, en Holland (belichaamd in de figuur van de raadpensionaris) hielden elkaar in een ongemakkelijk evenwicht. Met enige overdrijving kan men zeggen dat in perioden waarin de macht van de stadhouder groot was, de landgewesten overheersten, terwijl tijdens het bewind van Oldenbarnevelt en De Witt Holland de boventoon voerde. Maar de stadhouders kenden ook de grenzen van hun macht. Ze wisten dat ze zonder de samenwerking van Holland weinig konden beginnen.

Hadden ze gestreefd naar een monarchale positie binnen de Republiek (zoals Willem II misschien deed in 1650), dan zou de fragiele eenheid definitief verbroken worden. Zelfs Willem III, die over een ongeëvenaarde macht beschikte, besefte dit en respecteerde Hollands autonomie.

Price demonstreert het wankele evenwicht tussen Holland en de landgewesten, tussen de raadpensionaris en de stadhouder, tussen particularisme en centraal gezag vooral aan de hand van de drie grote crises van de zeventiende eeuw: de staatsgreep van Maurits in 1618 die een einde maakte aan de Bestandstwisten en de landsadvocaat Oldenbarnevelt naar het schavot zond; de gebeurtenissen in 1650, toen Willem II het machtige Amsterdam op de knieën dwong, maar een mogelijke burgeroorlog werd voorkomen door zijn plotselinge dood; en het rampjaar 1672, toen de inval van Frankrijk een einde maakte aan de republikeinse 'ware vrijheid', Willem III tot stadhouder werd uitgeroepen, de gebroeders De Witt werden gelyncht en hun aanhangers overal van het kussen werden gestoten. Juist in die drie momenten van crisis werden de latente spanningen zichtbaar die onder de oppervlakte van de formele constitutie leefden.

Holland and the Dutch Republic in the Seventeenth Century is bijna net zo'n merkwaardig boek geworden als het politieke systeem dat het beschrijft. Het chronologische geschiedverhaal wordt bekend verondersteld; feiten en gebeurtenissen worden slechts gebruikt om stellingen te demonstreren.

Constitutionele bijzonderheden kan men er niet in opzoeken. Het boek berust nauwelijks op bronnenonderzoek en in het geheel niet op archiefonderzoek. Nieuwe feiten zijn er dan ook niet in te vinden. Van voetnoten wordt slechts spaarzaam gebruikgemaakt. Het boek is echter gebaseerd op een uitgebreide en zorgvuldige lezing van alle relevante secundaire literatuur; en niet in de laatste plaats, lijkt me, op de langdurige en intensieve overdenking van die lectuur. Het is dus geen monografie in de conventionele zin van het woord. Het is een essay: rigoureus in zijn systematiek, uiterst genuanceerd in het afwegen van alle verschillende elementen in de politieke belans, maar met een duidelijke visie op de plaats die deze elementen uiteindelijk in het betoog moeten innemen. De conclusie dat het succes van de Republiek in de zeventiende eeuw op zoveel terreinen precies aan haar gedecentraliseerde en onduidelijk gedefinieerde politieke structuur is te danken, komt mij heel aannemelijk voor.