'Monetaire discipline biedt bescherming tegen jezelf'

De directie Internationale Zaken van De Nederlandsche Bank is onlangs opgeheven. De werkzaamheden zijn in een nieuwe afdeling ondergebracht omdat de directeur, André Szász, met pensioen gaat.

Szász was een directie op zichzelf. Hij belichaamde het internationale monetaire beleid van De Nederlandsche Bank, eenentwintig jaar lang.

Op grond van zijn lange ervaring zegt Szász: “Waar men misschien nog het slechtste tegen kan, is succes.” Hij praat over de kunst van het wisselkoersbeleid en het streven naar een stelsel van stabiele munten. Szász is één van de architecten van de koppeling van de gulden aan de Duitse mark, van de technische werking van het Europese Monetaire Stelsel. Altijd op de achtergrond. Altijd relativerend. Altijd voorzichtig. Discreet en onwrikbaar in zijn standpunten, zoals een centrale bankier betaamt.

Szász wijst op een karikatuur uit Le Canard Enchaîné van 14 januari 1987, na de devaluatie van de Franse franc. De toenmalige minister van financiën Balladur staat in een lift en iemand vraagt: 'Gaat U naar beneden?' Balladur antwoordt: 'Nee mevrouw, het gebouw gaat omhoog'. De spotprent past bij zijn milde gevoel voor humor. Hij zegt: “U weet natuurlijk dat wij in ons werk nooit lachen.” Hij glimlacht.

In 1960 kwam André Szász (1932, geboren in Nederlandsch-Indië als zoon van Hongaarse ouders) bij De Nederlandsche Bank. Sindsdien is het prijsniveau in Nederland verdrievoudigd, een gulden van toen is nu dertig cent waard. In Duitsland is een D-mark in waarde gehalveerd. “We hadden waarschijnlijk een betere performance gehad door al die tijd bij de D-mark te blijven”, zegt Szász. Hij is een bewonderaar van het Duitse monetaire beleid. De Bundesbank is zijn baken.

Begin 1973 kwam Szász in de directie van De Nederlandsche Bank, belast met internationale zaken. Twee maanden later spatte het stelsel van Bretton Woods (het na-oorlogse stelsel van vaste wisselkoersen, met de dollar als spil en gekoppeld aan goud) definitief uiteen. Szász: “Alle zekerheden die we hadden, verdwenen. We moesten nieuwe doelstellingen vinden voor het internationale monetaire stelsel en de rol van het Internationale Monetaire Fonds, op het gebied van de Europese monetaire samenwerking en het Nederlandse wisselkoersbeleid. Dat werd bemoeilijkt omdat later dat jaar de oliecrisis losbarstte.”

Nu zegt Szász: “Achteraf bezien was die breuk minder groot dan we toen dachten. Er zijn waarheden die waar blijven, zoals het feit dat overheidsfinancien niet uit de hand moeten lopen en dat externe discipline nodig is om een behoorlijk intern beleid te voeren.”

Szász blijft als bijzonder hoogleraar Europese Studies verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij in 1988 promoveerde op Monetaire diplomatie, een studie naar de Nederlandse internationale monetaire politiek van 1958 tot en met 1987. De komende tijd gaat hij een vervolg op dit handboek schrijven. Als geen ander in Nederland is hij daartoe in staat: heeft hij alle hoogte- en dieptepunten meegemaakt, vanaf de 'slang' in 1972, de oprichting van het Europese Monetaire Stelsel in 1979 en de onderhandelingen over de Economische en Monetaire Unie in 1991, tot en met de valutacrises van 1992 en 1993.

“Twee keer in een halve eeuw is een stelsel van stabiele wisselkoersen uiteen gesprongen. Begin jaren '70 mondiaal, begin jaren '90 regionaal. In beide gevallen ging het om problemen van het ankerland en om de inconsistente reacties daarop van de rest. In het Bretton Woods-systeem legde het ankerland (de Verenigde Staten) zichzelf geen discipline op en legde het stelsel het ankerland geen discipline op. De andere landen hadden de keuze: ze konden òf revalueren, òf dollars blijven aankopen. Tot geen van beide waren ze bereid. Dan heb je een consistentieprobleem en daaraan ging het stelsel ten gronde.

Begin jaren negentig kwam het ankerland van het EMS, Duitsland, in een ander soort problemen. De centrale bank gaf wèl tegengas tegen het sterk toegenomen overheidstekort door de Duitse eenwording. De overige leden stonden voor een keus: òf devalueren tegenover de D-mark, dan hadden ze geen last van de hoge Duitse rente, òf de wisselkoers stabiel houden en dan niet mopperen over de rente. De meesten waren niet bereid tot het een of het ander. Augustus 1993 is het EMS in zijn oude vorm met smalle marges verdwenen.''

Waarom is de disciplinerende werking van een wisselkoersstelsel zo belangrijk?

“Het is een bescherming tegen jezelf. Er zijn weinig landen die zulke traumatische ervaringen hebben gehad met inflatie, dat ze zichzelf discipline opleggen. Duitsland is de uitzondering. Bij de discussie die in ieder land altijd gaande is over de verdeling van schaarse middelen, is de neiging groot om de consensus via inflatie te zoeken.

Als klein land heeft Nederland bovendien behoefte aan een stelsel dat discipline oplegt aan anderen, wetend dat wij dat niet zelf kunnen doen. Grote landen kunnen de hoop hebben dat ze onderling afspraken kunnen maken. Nederland moet het hebben van een stelsel met regels die voor iedereen gelden en dat erop gericht is om alle landen belang te geven bij een goed intern beleid.''

Hoe heeft Nederland vorig jaar augustus de koppeling met de D-mark kunnen volhouden, terwijl alle andere munten afhaakten?

“In 1983 was Nederland achtergebleven bij de revaluatie van de D-mark en sindsdien is er een nationale consensus ontstaan dat dat geen goed idee is geweest. Ten tweede is sprake van een consequent beleid van de kant van De Nederlandsche Bank. Het is erop gericht om voortdurend duidelijk te maken dat de wisselkoers de prioriteit heeft. Niet de wens om de rente omlaag te drukken, maar de handhaving van de wisselkoers.”

In het EMS hebben sinds 1979 twaalf aanpassingen van de wisselkoersen plaats gevonden. Zo stabiel was het stelsel niet.

“Men leert van de ervaring. We hebben in het EMS heel moeilijke jaren gehad, van 1979 tot '83. Zo'n stelsel is niet houdbaar als het beleid uiteenloopt zoals toen het geval was. Die les heeft men getrokken. Frankrijk is vanaf 1983 meer prioriteit gaan geven aan prijsstabiliteit.

Na veel discussies hebben we in 1987 het akkoord van Basel-Nyborg bereikt. Het kwam er op neer dat de centrale banken het rentebeleid veel sterker zouden inzetten en de wisselkoersmarges zouden gebruiken om de markten het gevoel te geven dat speculatie kostbaar was, riskant en weinig lonend. Dat heeft zo'n groot succes gehad, dat daarna vijf jaar geen aanpassingen plaats vonden, hoewel er nog wel inflatieverschillen waren. Die weelde hebben we niet kunnen dragen.

Men heeft toen een fundamentele regel vergeten: wisselkoersen moeten de fundamentals weerspiegelen. Dat was uiteindelijk niet meer het geval. Italië en Engeland zijn in september 1992 door de markt gedwongen om hun koersen aan te passen. Daarmee had de geloofwaardigheid van het stelsel een geweldige klap gekregen. Het stelsel had dit nog wel kunnen overleven. Maar in de daaropvolgende maanden, tot juli '93, schroefde Frankrijk zijn rente alsmaar omlaag. De markt kreeg de overtuiging dat renteverlaging belangrijker was dan wisselkoersstabiliteit. Daartegen was het stelsel niet bestand.''

Had die crisis voorkomen kunnen worden?

“Oh, ja. Naar mijn stellige overtuiging. Als je van meet af aan duidelijk had gemaakt dat wisselkoersstabiliteit belangrijker is dan de rente omlaag duwen. Dan had je uiteindelijk beide kunnen krijgen. Zodra in de markt de overtuiging post vat dat renteverhogingen voor de verdediging van de wisselkoers niet mogelijk zijn, is dat het begin van het eind van het stelsel. Of in ieder geval van de betrokken koers.

Het was voor mij een trieste ervaring om te zien hoe zo'n stelsel uit elkaar spatte, terwijl ik overtuigd was dat het niet nodig geweest was.''

U heeft eens gezegd dat wisselkoersen met de pink gestuurd kunnen worden.

“Dat kan alleen maar als de geloofwaardigheid verdiend is - en dat gaat niet gratis. In het geval van Nederland heeft het na de klap die onze geloofwaardigheid in '83 opliep, tot 1991 geduurd. Toen pas zag je aan de renteverschillen dat het vertrouwen van de markt hersteld was. Al die tijd lag de Nederlandse geldmarktrente boven de Duitse rente en telkens als we toestonden dat de rente zakte, zag je de gulden verzwakken. Pas begin jaren negentig kreeg je van tijd tot tijd lagere geldmarktrentes bij ons dan in Duitsland, zònder dat de gulden verzwakte.

Als het vertrouwen er eenmaal is, neemt de markt in belangrijke mate de taak van de centrale bank over. Als de markt ziet dat de guldenskoers zakt, gaat men er van uit: dit zal niet lang duren, de gulden is goedkoop en men koopt guldens. Men anticipeert, wetend dat er bestendig beleid is, dat de wisselkoers prioriteit heeft.

Consistent beleid is niet simpel omdat je altijd opereert op de rand van techniek en politiek. Er is altijd een politieke wens om een stelsel te bedenken waarin de rente alleen maar omlaag kan, en niet omhoog.''

Szász was de nestor van het Monetair Comité, het besloten gezelschap van topambtenaren van de centrale banken en ministeries van financiën dat het monetaire beleid in de Europese Gemeenschap voorbereidt. Hij leest voor uit zijn eigen afscheidswoord: “Het Monetair Comité heeft momenten van groot drama meegemaakt. Eén daarvan was de nachtelijke vergadering na Black Wednesday (de val van het Britse pond op 16 september 1992 - RCJ). Na deze vergadering werd ik door een Nederlandse journalist gevraagd of er over en weer verwijten waren gemaakt. Ik kon eerlijk antwoorden dat dit niet het geval was. Leden van het Monetair Comité zijn old friends, die begrijpen dat ze in de toekomst met elkaar te maken hebben en die weten dat ze ook zelf in de positie kunnen komen waarin zich nu andere collega's bevinden.” Verderop: “De meest onplezierige vergaderingen betroffen die waarin het Comité gedwongen was om aan desinformatie mee te werken. Ik denk aan de vergadering gewijd aan de vraag hoe een snel overeen gekomen devaluatie van acht procent van een EMS-munt (de lire in juli 1985 - RCJ) zou moeten worden gepresenteerd... Het verenigd Europa kan niet gebouwd worden op een presentatie die de kleine kloof die haar van disinformatie scheidt, overschrijdt.”

Hij kijkt op en zegt, aangedaan: “Het zat me hoog.”

Heeft U tijdens de vergadering in de nacht van 1 op 2 augustus 1993, waar werd besloten de bandbreedte op te rekken tot vijftien procent, gedacht: het is afgelopen met het EMS?

(lange stilte) “Ik heb er rekening mee gehouden dat die vijftien procent er niet uit zou komen. Daar leek het ook op. Dan had je op Europees verband niets meer gehad, alleen nog maar het bilaterale Duits-Nederlandse akkoord om de gulden en de D-mark bij elkaar te houden.

Ik had er niet helemaal zicht op waar die vijftien procent vandaan kwam, omdat de plenaire vergadering telkens geschorst werd en er beraad was in de wandelgangen, vooral tussen de Duitsers en de Fransen. Pas in het allerlaatste stadium lieten de Fransen weten dat vijftien procent voor hen aanvaardbaar was. Ze hebben in ieder geval niet vanaf het begin naar die vijftien procent gestreefd. Lange tijd leken voor hen helemaal geen marges aanvaardbaar.''

Het was een dubbeltje op zijn kant..

“Ja. En op dat moment was die vijftien procent alleen maar symbolisch. De enige betekenis leek de wens om ooit terug te keren tot nauwere marges. Naderhand bleek het een andere betekenis te hebben: het gaf inhoud aan het handhaven van de spilkoers. Zelfs met een marge van vijftien procent was er nog ergens een midden. Het rentebeleid werd op het benaderen van de spilkoers afgestemd.

De gretigheid waarmee men gebruik heeft gemaakt van de nieuw verworven vrijheid na augustus 1993 bleek kleiner dan men verwacht had. Er is bewust naar gestreefd om bij het tempo van verlaging van de rente rekening te houden met de eisen van wisselkoersstabiliteit. Dat kwam tot uitdrukking in de relatieve stabiliteit van de koersen na augustus 1993.''

Is het dan niet absurd dat het stelsel toen bijna uit elkaar klapte?

“Het probleem was dat Frankrijk een nieuwe regering had, met een minister van financiën die groot belang hechtte aan renteverlaging en die erg onder de indruk leek van de tijdelijke zwakte van de D-mark. Dan lijkt het alsof je veel risico's kunt nemen. De overweging dat de franc niet teveel in koers mocht zakken ten opzichte van de Dmark speelde wel een rol, maar dat uitte zich niet in terughoudendheid met renteverlagingen. De Fransen spoorden de Duitsers in het openbaar aan om ook de rente te verlagen. Als eenmaal de indruk is gewekt dat de autoriteiten in een debat zijn gewikkeld, of een confrontatie, draagt dat niet bij tot stabiliteit.”

Wat vond U van de opstelling van de Bundesbank?

“De geforceerde integratie in Duitsland had geleid tot een excessief tekort. De Bundesbank moest de geldgroei beheersen en dat kon alleen maar op de manier waarop ze het heeft gedaan. Dat heeft haar veel kritiek opgeleverd. En dat heeft haar beleidsruimte verminderd, want als je het op een gegeven moment verantwoord vindt de rente te verlagen, maar je lijkt dat te doen onder buitenlandse druk, dan gaat het ten koste van je geloofwaardigheid. De prioriteit die de Bundesbank gegeven heeft aan prijsstabiliteit was terecht, ook voor het EMS. Want zonder die prioriteit in het ankerland is geen stelsel te handhaven.

Wij vonden het ongelukkig, dat er zoveel kritiek op de Bundesbank was. Want dat kon er alleen maar toe leiden dat de markten tot de conclusie kwamen dat degenen die het stelsel moesten runnen, met elkaar van mening verschilden. Daarvoor betaalt iedereen de prijs.''

Die meningsverschillen zijn nu verdwenen.

“Het stelsel in zijn oude vorm ook.”

Komt er een Economische en Monetaire Unie?

“Als je één munt krijgt, omstreeks de eeuwwisseling of wanneer dan ook, gebeurt het omdat Frankrijk en Duitsland dat om politieke redenen wensen. Het is slechts aannemelijk met een beperkte groep landen. Het lijkt me dat de landen, die dit doel nastreven, de komende jaren ook het verst zullen gaan om onderlinge wisselkoersstabiliteit te handhaven.

De vraag is of je één munt kunt hebben zonder daarnaast een economische unie en vermoedelijk ook iets als een politieke unie. Ik geloof het niet. Je kunt niet zeggen: dan maar geen prijsstabiliteit, want daarmee vervalt de Duitse grondslag voor de zaak. Dan sta je voor de keuze: geen monetaire unie - of wel een monetaire unie, maar dan moet je het andere ook hebben. Daarvoor is een nieuw verdrag nodig, want je geeft meer souvereiniteit prijs.

Ik heb het niet over het monetaire terrein, daarop heb je geen nieuw verdrag nodig, maar over andere gebieden, onder andere het economische. We hebben nu het beginsel afgesproken dat de overheidsfinanciën niet helemaal vrij kunnen zijn. De vraag is of dit voldoende is. Zoals het nu in het verdrag staat, is het voornemen om in de toekomst te doen wat we in het verleden allang hadden moeten doen. En wat doe je als dit voornemen niet wordt vervult? Je ziet de neiging, bijvoorbeeld als er een nieuwe regering wordt gevormd, om te vergeten dat er een Verdrag van Maastricht bestaat. Als je consistent bent, moet je regels verzinnen waarin dat niet kan.''

Wilt U meer Brusselse bemoeienis?

“Op economisch terrein moeten we iets hebben dat meer afdwingbaar is. Ik zeg niet dat er een gecentraliseerd budgetbeleid moet komen, maar ik geloof dat er meer zekerheid moet zijn dat de landen de verplichtingen die ze op zich hebben genomen, ook nakomen.”

Zou het zonder U anders gelopen zijn met de monetaire samenwerking in Europa?

Szász aarzelt en zegt dan: “Als je 21 jaar in een functie zit, dan zou het gek zijn als je helemaal geen invloed hebt uitgeoefend. Dat zou betekenen dat je niet goed hebt gefunctioneerd. Dus iets van effect moet je hebben gehad.” Het tekent Szász' bescheiden ijdelheid dat hij Lamberto Dini, de Italiaanse minister van financiën en jarenlang directeur-generaal van de Italiaanse centrale bank, aanhaalt. Dini sprak een afscheidswoord op de maandelijkse bijeenkomst van centrale bankiers in Bazel. Szász: “Hij noemde twee dingen. De ene is de 'two way risk', dat slaat op het akkoord van Bazel-Nyborgh uit 1987. Het andere is mijn nadruk op het monetaire karakter van het IMF. Al die successen zijn beperkt, dus ik claim niet veel, maar als je vraagt, wat was je rol? Dan heb ik hierop de nadruk gelegd. Het succes is dat het is overgekomen, laat ik het zo zeggen.”