Column

Ikea

Toen mijn toenmalige vriendin en ik tien jaar geleden uit elkaar gingen, hebben wij de spullen niet verdeeld. Op een dag kwam ik thuis van een tourneetje en was ze weg. Zoals afgesproken. En ze was koninklijk vertrokken, ofwel: ze had het huis zeer leefbaar achtergelaten. Toch moest ik een en ander bijkopen en een vriend van mij zei: “Dan moet je naar IKEA, daar hebben ze echt alles.”

Dus ik naar IKEA. En inderdaad: daar hebben ze alles. Althans: in de catalogus. Ik had een nieuwe bank nodig, wat stoelen, wat servies (was gesneuveld), wat bedden, enzovoort. Zelden ben ik ongelukkiger geweest dan toen. Het ergste vond ik dat niets er was. Dus dan koos je een bepaalde tafel, ging naar beneden om hem uit een onmogelijke stelling te halen, liep een uur te vloeken door het doolhof dat magazijn heet en uiteindelijk hoorde je dat de 'Björn' of de 'Benny' pas volgende maand weer leverbaar was. Terug naar boven, daar koos je iets anders en beneden kwam je er achter dat ze hem wel in het wit, maar niet in het door jou gewenste zwart hadden.

“Waarom zet u in de showroom geen vlaggetjes bij alles wat uitverkocht is”, vroeg ik aan de korenblauwe IKEA-mevrouw van het magazijn.

“Dat zou een aardig woud worden”, sprak zij met Amsterdamse tongval en barstte los in een aanstekelijke lachbui.

Het meest droef werd ik toen ik mijn verdrietige vriendinnetje tegenkwam, die ook met een wagentje wat rommel liep te scoren. Zij had alles nodig wat ze bij mij had achtergelaten en ik zocht wat zij had meegenomen. Treurig beeld.

Ik besloot om nooit meer naar dat echtscheidingspaleis te gaan, maar ook voor mij geldt: zeg nooit nooit.

Inmiddels ben ik een huwelijk en een paar kinderen verder en vorige week hebben we aan onze vele bezittingen een vakantiehuisje toegevoegd. Dat moet ingericht en volgens mijn vrouw konden we het beste even naar IKEA. “Het hoeft niet luxe en daar hebben ze nou eenmaal alles en dan zijn we er in één keer vanaf”, overtuigde ze mij en voor ik het wist liep ik in een file van uitgebluste echtparen, die het nieuwe bed uitsluitend nog testen op het slapen.

De kinderen zaten beneden in de 'ballenbak' en mevrouw Van 't Hek en ik worstelden ons door dekbedden, matrassen, stapelbedden, keukengerei, serviezen, messen, vorken, lepels, enzovoort. Het belangrijkste was het stapelbed.

“Boven in het stapelbed.” Het was me honderd keer verteld. Roos heeft ook een stapelbed en Sharon en Floor en Sterre en . . . .

De tocht door de Zweedse meubelgigant zal ik u verder besparen, maar dat mijn vrouw en ik nog bij elkaar zijn mag een wonder heten. Maar het ergste moest nog komen: het in elkaar zetten van een IKEA-stapelbed.

Je maakt het kartonnen pak open, zet een wirwar van planken tegen de muur van de lege kinderkamer, legt de schroeven, pluggen en vreemde sleuteltjes bij elkaar in de vensterbank, vouwt de gebruiksaanwijzing uit en volgt de plaatjes. In het begin gaat het wel. Alles klopt, maar dan: het blijkt dat je het bed tot nu toe met de verkeerde schroeven in elkaar hebt gezet. Oké, uit elkaar. Opnieuw beginnen. Goed nadenken. Goed naar het plaatje kijken. Je aan hun volgorde houden. Maar die plank is er niet. Oh wacht even. Die plank moet dus daar en deze moet hier. Oké, uit elkaar. Nu zit alles goed. De lattenbodem. Op het plaatje schuiven ze die zo in elkaar. Wat doe ik dan verkeerd? Waarom past dat niet? Eerst die twee brede planken. Ik heb geen brede planken. Oh die heb ik daar gedaan. Uit elkaar. Ik heb haar beloofd dat ze morgen in het stapelbed mag slapen. Nog een keer. Dus die plank daar en die plank . . . .

Om twee uur 's middags was deze enthousiaste vader begonnen en 's avonds om twaalf uur (zonder pauze) zat het bed in elkaar. Ik heb nog wel wat schroeven en een plankje over. Er zit bloed op het behang, ik heb mijn vrouw geslagen, mijn jongste zoon het huis uit gescholden, het hele servies door het glas van de schuifpui naar buiten gesmeten en nu komt het ergste: er moet nog een stapelbed in elkaar gezet worden. Gelukkig heeft het huisje ook een open haard.