Het Literaire Netwerk

Er zijn er paar dingen die je eens in je leven moet hebben gedaan, dus zonder er een gewoonte van te hebben gemaakt. De stad van je dromen zien, d.w.z. je persoonlijke Napels, maar niet met het noodlottig gevolg. Ik noem als klassieke reisdoelen Patagonië, Harrar, Oelan Bator, de Golf van Taufiq. Voor mij was het Odessa. Dan: een hut bouwen, liefst een boomhut. In het geheim een mens redden. Buskruit maken (zoals Rudy Kousbroek heeft geschreven). Een dier als beste vriend hebben. Een luchtspiegeling zien. En een tijdschrift maken; dus niet alleen 'volschrijven' of dat met anderen doen hoewel je ze niet voor honderd procent vertrouwt, maar alles zelf maken: de teksten, de opmaak, de illustraties, en daarna ook de vermenigvuldiging, het bindwerk en de distributie in eigen hand houden.

Het viel niet te vermijden dat met de communicatierevolutie en de aanleg van de electronic highway dit tijdschrift-maken in een nieuwe fase zou komen. We hebben al de internationale bulletin boards, Internet, HackTic, de Digitale Stad, electronic mail, de steeds verder wijkende horizon die de mens op zijn computerscherm tegemoet gaat als hij zich eenmaal de vaardigheden van het toetsenbord heeft eigengemaakt. Natuurlijk heeft dit gevolgen voor het tijdschrift-maken. In de Volkskrant heeft Battus voorgesteld, een Literair Netwerk op te zetten, met de subsidie die nu aan de afzonderlijke literaire tijdschriften wordt gegeven. De lezers nemen een abonnement op dat Netwerk en dan hebben ze maar één vinger op de toetsen nodig om alles op hun scherm te krijgen waarvoor ze vroeger om te beginnen hun portemonnee moesten aanspreken. Inhoudsoverzichten, een register op auteur en onderwerp, de periodieke zondvloed van creativiteit, alles komt meteen op het scherm van de lezer. Waarom niet. Laten we er vaart achter zetten, het experiment wagen, een aanloopperiode vaststellen en een datum prikken voor de eerste evaluatie. Het is best mogelijk dat er talent wordt ontdekt dat anders voor altijd in de schaduw zou zijn gebleven.

Ben ik er dus vóór? Ja en nee.

Mij dunkt, het staat nu wel vast dat de computer gebruikt als tekstverwerker goed is voor het schrijven. Toen de eerste stoomtreinen verschenen hebben boeren zowel als wetenschappers zich fel verzet omdat bewezen was dat de koeien minder melk gaven. Anderhalve eeuw later weten we dat de koeien meer melk geven dan ooit terwijl de reisduur van A naar B steeds korter wordt. Zo zijn er ook kritici geweest die het somber voor de literatuur inzagen toen de eerste schrijvers zich aan tekstverwerkers waagden. Het hele persoonlijk ritueel, het vullen van de pen, het indraaien van het papier, het knoeiend corrigeren, overschrijven, al dit heilig gedoe zou verloren gaan, en daarmee de noodzakelijke tijd voor contemplatie van het geschrevene. Het ritueel zou, zoals in beginsel alle rituelen, een kern van doelmatigheid hebben: het zou de zelfkritiek van de schrijver aanmoedigen en hem behoeden voor oppervlakkigheid.

Allemaal onzin. Ieder schrijfmechaniek, ook de kroontjespen waarmee Jacques Gans schreef en Gerard Reve volgens zijn zeggen nog schrijft, ook de door mij geprezen Hermes Baby verbergt grotere kansen op ergernis dan het elektronisch gereedschap. Een nieuwe zin in je hoofd is een vluchtig verschijnsel dat zo snel mogelijk moet worden gevangen, een vlinder die wegzigzagt voor het vlindernet. Het is geen wonder dat juist Nabokov die onberekenbare insecten zo goed kon vangen.

Ergernis is de grootste vijand van de zinnenvanger, want ergernis is wanconcentratie. Vandaar alleen al dat de computer of de veelkunnende tekstverwerker de beste vriend van de schrijver is. Dan heb ik het nog niet eens over het gemak van de verbeteringen, het overzicht op het geschrevene; wat dat bij de schrijver teweeg kan brengen en hoe hij dan in een handomdraai datgene kan veranderen wat hij zou laten staan bij het vooruitzicht op de inspanningen die hij zich met een pen of schrijfmachine zou getroosten. Nee, kom niet aan zijn computer.

Voor zo'n Literair Netwerk is dus veel te zeggen. Maar kan het de ouderwetse tijdschriften vervangen? Nee, en wel om twee redenen. Het tijdschrift in zijn oervorm is het resultaat van een alomvattende prestatie. Het denken en schrijven zijn er een deel van. Het gaat ook om de vorm, het formaat, het lettertype, de lay-out, de dikte, om alles wat ik aan het begin van dit stukje heb opgesomd. In dit opzicht is het tijdschrift handwerk. In mindere mate geldt dat ook voor literaire tijdschriften die bij een echte uitgever verschijnen. In redactievergaderingen, als ze goed zijn, wordt altijd óók over de vorm gepraat. De vorm wordt nooit per axioma of decreet van de uitgever vastgesteld. Een noodzakelijk deel van het tijdschrift bestaat dus uit handwerk. Dit om te beginnen.

Ten tweede is de inhoud gericht op een beperkt aantal lezers. Een literair tijdschrift is er niet voor iedereen; het is het orgaan van een kongsi die daarmee iets wil dat nog nooit in de geschiedenis op zo'n manier gewild is. Vernieuwend ontroeren, opvoeden, mores leren. Maar dan, merkwaardig: niet iedereen komt daarvoor in aanmerking. Wat voor bedoelingen de redacteur of de redactie ook heeft - boosaardige, de meest humanistische - die zijn altijd op een beperkt gezelschap gericht. De 'verstaanbaarheid' is nooit bedoeld om een zo groot mogelijke massa te werven.

Vorm en inhoud samen worden gedragen door de illusie dat met dit tijdschrift iets is gemaakt dat niet eerder is vertoond. Die illusie kan niet met iedereen worden gedeeld, niet met de eerste de beste hacktikker, internetter, emailer. Een tijdschrift is een eigenaardig compromis tussen de drang om bekend te maken en de behoefte aan betrouwbaar gezelschap. Ik vraag me af of dat met een Literair Netwerk zal lukken.