HET BESLUIT VAN MAI (SLOT)

Terwijl Mai daar stond, bij die feestzaal in Rotterdam, tegen een uur of vier in de ochtend, probeerde ze zich te herinneren hoe het precies was gegaan, haar echtscheiding. Tot haar schrik bleef het allemaal wazig, alsof ze door een dik stuk glas keek. De volgorde van de gebeurtenissen klopte niet en ze wist niet eens meer wiens verhaal ze naar boven haalde: dat van de maatschappelijk werkster, dat van haar man, of dat van haar zelf. Vaagjes zag ze haar man, die deed of hij gek werd en met spullen door het huis gooide, als in de films, en ineengedoken op de bank zat te huilen. Zij bleef in de kamer met de kinderen, maar ze was niet bang voor hem, dat wist ze heel zeker. Ze was alleen verbaasd. Verbaasd over zichzelf. Dat ze zoiets had gedaan, als hindoestaanse vrouw met drie kinderen. Je man verlaten, zomaar - dat was een vreemde gedachte die haar niet los liet: dat ze het zomaar had gedaan. Uit een ingeving.

Maar ze had er geen spijt van. Toen ze eenmaal haar eigen huis en uitkering had genoot ze van de kans om aan zichzelf te denken. Alleen aan zichzelf, en de kinderen. De jongen vond later werk in Amsterdam, het oudste meisje trouwde met iemand in Arnhem, en nu had ze alleen Wimla nog, het nakomertje, geboren uit liefde. Ze meende het, als ze zei dat ze alles zou doen om Wimla gelukkig te maken. Het was alsof Wimla haar tweede kans was in het leven.

Zelf had ze geen ongelukkig leven gehad. Ze had geen honger geleden, ze was niet slecht behandeld, haar was niets ergs overkomen. Maar ook niets leuks. Haar bruiloft was gewoontjes geweest, haar ouders waren niet rijk en de sieraden en geschenken niet bijzonder. Geen klerenkast met spiegel van het hindoestaanse warenhuis Kirpalani, geen groot bed van glanzend fineer, geen eettafel met chromen poten en geen kunstlederen bankstel met kussens, maar gewoon wat drinkglazen en karaffen, vazen en pannen, lappen stof om kleren te naaien, saaie dingen.

Ze had haar man niet goed gekend, voor het huwelijk had ze hem maar een paar keer gezien, maar toen ze samen op het huwelijksbed zaten en de cadeau's bekeken hadden ze beiden gelachen. Dat was een fijn begin, en het was een fijne man. Maar hij had geen sterke wil, merkte ze later. Hij was gauw tevreden en hij durfde weinig. Hij luisterde naar zijn vader en zijn broers en deed dan alsof het zijn besluiten waren. Ze hadden tegen hem gezegd dat hij pompoenen moest planten omdat de prijs zo goed was; hij zei tegen haar dat hij besloten had pompoenen te planten omdat de prijs zo goed was, maar tegen de tijd dat hij zijn pompoenen oogstte was de prijs heel slecht.

Zijn vader en broers waren boos op haar geweest toen ze merkten dat zij allerlei vreemde ideëen in zijn hoofd stopte: om apart te gaan wonen bijvoorbeeld, helemaal in de stad. Daar zou hij niemand hebben die hem in nood kon helpen, zeiden zijn vader en broers tegen hem; in de stad hadden ze niemand die hen kon helpen, zei hij tegen haar. Maar ze bedacht er iets op, en weer, en weer en zo sprak ze met zijn hele familie, via hem.

Ze maakte geen ruzie, integendeel. Ze maakte zich mooi, ze deed een bloem in het haar en was lief voor hem. Op een middag, toen ze toevallig alleen waren in het grote houten huis van haar schoonouders, hadden ze het prettig gehad, in bed. Hij woelde met zijn vingers in haar lange zwarte haar en ze zei dat ze het altijd zo prettig konden hebben. Als ze een eigen huis hadden. In de stad. Dat hielp.

Het huis in de stad was eigenlijk maar armoedig, maar het was hun eigen huis en ze kocht een gebloemd plastic tafelkleedje en zette daarop een vaas met bloemen. Zo, dit was haar plekje. Niemand die plotseling de deur opendeed of haar vertelde hoe ze de vis moest bakken.

Ze wist dat hij het vernederend vond om het onkruid langs de sloten van de straten te moeten wieden, toen hij die baan had bij Openbare Werken, maar het was een begin, en ze masseerde 's avonds zijn schouders met kokosolie. Als buschauffeur verdiende hij niet veel meer, maar het gaf hem zijn waardigheid terug. Die tocht met die grote, lege bus, met hem en haar kinderen, dat was een van de leukste momenten van haar leven. Ze hadden langs de weg naar Uitkijk verse vruchten gekocht en die in de stilstaande bus langs het water opgegeten. Het was een beste man.

Tot hij zoveel begon te drinken, in Holland. Dit land was niet goed voor hem geweest. Hij kon het niet aan, hij kon niet meegaan met de tijd en ze had hem aan zijn lot overgelaten. Soms haatte ze de maatschappelijk werkster.

Waarom begrepen de mensen hier niet hoe hindoestanen wilden leven? Maar sinds wanneer wilde zij zelf als hindoestaanse leven? En als zij niet als hindoestaanse had geleefd, waarom wilde ze dat Wimla dat wel deed? Was het niet Wimla's recht om plezier te maken zoals haar vriendinnen deden, als een Westers meisje in plaats van een goed Oosters meisje? Wat hinderde haar precies, dat haar dochter de vrijheid nam die Mai zelf voor haar had gecreeerd, door indertijd het flinke besluit te nemen om vanuit het district naar Paramaribo te gaan, en vanuit Paramaribo naar Den Haag te komen, en hier haar man te verlaten om voor zichzelf te beginnen? Waar was ze in hemelsnaam aan begonnen?

Ze kon niet goed meer denken. Ze had het koud en de sjaal die ze om zich heen sloeg hielp niet. Ze kon weer naar binnen gaan, het feest was nog in volle gang, maar ze was bang. Bang dat ze haar meisje kwijt raakte en dat haar meisje d'r eigen geluk verspeelde. Kon iemand haar alsjeblieft vertellen hoe het geluk van een jong hindoestaans meisje in Holland eruit zag? Waarom leken dingen die bij Westerse meisjes zo gewoon waren, bij hindoestaanse meisjes ineens zo ongepast? Andere meisjes rookten, dronken, dansten bubbling en flirtten en vrijden, daar was niets vunzigs aan - waarom leek het bij hindoestaanse meisjes dan wel zo? Of was het alleen maar ongepast in háár hoofd?

Het duizelde haar. Zo diep had ze er nog nooit over nagedacht. Dat gevoel van ongepastheid zat in haar hoofd en had een naam: schaamte, voor wat de mensen zouden zeggen, nadat ze al zoveel over Mai hadden gezegd. Met Wimla wilde Mai wraak nemen op al die hindoestanen, door aan te tonen dat een slechte vrouw wel een goede dochter kon voortbrengen. En per ongeluk erkende ze dat ze een slechte vrouw was geweest. Ze was voor zichzelf opgekomen, ze had een eigen leven willen leiden, ze had vrij willen zijn en nu overviel haar een diep gevoel van schaamte over al die dingen die vroeger zo goed en moedig hadden geleken. Door nu boos te zijn op Wimla maakte ze een knieval voor de hindoestanen. Ze had Wimla willen gebruiken als wisselgeld en ze was dus bezig haar eigen dochter te verraden. Daar schaamde Mai zich ook al over.

Waarom moest het altijd zo moeilijk zijn, waarom konden mensen niet gewoon van traditie naar vrijheid gaan zonder telkens kleine stapjes terug te doen? Waarom bleven ze de angst voelen dat als ze iets kwijtraakten, ze alles kwijt waren?

Op dat moment voelde Mai een aangenaam warme arm om haar heen en rook ze de zoete adem van rumcola. Ze had zo'n leuke avond gehad, zei Wimla, en samen liepen ze de Hollandse ochtend tegemoet.