Frederick Douglass (1818?-1895); Vader van de zwarte emancipatiestrijd

Frederick Douglass, notes by Henry Louis Gates Jr.: Autobiographies. Narrative of the Life of Frederick Douglass, an American Slave; My Bondage and My Freedom; Life and Times of Frederick Douglass 1126 blz., geïll., The Library of America 1994, ƒ 68,25

Wie is de belangrijkste neger aller tijden? Deze vraag werd een aantal jaren geleden door het Afro-Amerikaanse blad Ebony gesteld aan een groep vooraanstaande zwarte historici. Unaniem viel de keuze op Frederick Douglass. “Hij was de nobelste van alle negers”, “hij stond voor het beste wat Amerika te bieden heeft” en “hij was de ultieme belichaming van de individuele strijd tegen tirannie,” zo luidde een paar van de loftuitingen.

Frederick Douglass werd (waarschijnlijk) in 1818 als slaaf geboren in de zuidelijke staat Maryland. Omstreeks zijn twintigste vluchtte hij naar het noorden en voegde zich bij de anti-slavernijbeweging. Later werd hij lid van Lincolns Republikeinse partij en na de Burgeroorlog bekleedde hij als “eerste man van zijn ras” een aantal hoge federale ambten waaronder dat van presidentsadviseur en ambassadeur in Haïti. Na de dood van zijn eerste vrouw bij wie hij vijf kinderen kreeg, veroorzaakte hij nogal wat beroering door met een blanke vrouw te trouwen.

Volgens een aantal historici liet hij zich inpakken door de gevestigde orde, maar door de lynchings en de zuidelijke apartheidspolitiek herkreeg hij op late leeftijd zijn oude strijdlust. Hij keerde zich zelfs tegen zijn eigen Republikeinse partij die hij ervan beschuldigde geen steek te geven om de snelle afkalving van de pas verworven burgerrechten van het zwarte volksdeel. “De neger is als een man in een moeras, hoe harder hij worstelt hoe dieper hij wegzinkt”, zo typeerde Douglass het lot van de zwarte in Amerika. Bitter stelde hij vast dat de afschaffing van de slavernij eigenlijk “pure oplichterij” was geweest.

De literatuur over het leven en werk van Douglass is overstelpend. Belangrijke biografieën verschenen onder andere van de hand van Benjamin Quarles (1948), Philips S. Foner (1955), Arna Bontemps (1971) en van Willieam S. McFeely (1991). Verder is nog te noemen de in 1979 aangevangen bronnenuitgave The Frederick Douglass Papers van John W. Blassingame, waarvan inmiddels zes delen zijn verschenen.

In een levenslange reïnterpretatie van zijn eigen leven, schreef Douglass drie autobiografieën. Deze zijn nu voor het eerst gebundeld verschenen in de serie Amerikaanse klassieken van 'The Library of America'. De eminente zwarte historicus en letterkundige Henry Louis Gates Jr. van Harvard voorzag het geheel van een notenapparaat en een chronologie van Douglass' leven. Het boek was in februari het boek van de maand van Amerika's bibliofiele 'Book-of-the-Month Club'.

Zijn eerste autobiografie Narrative of the Life of Frederick Douglass, an American Slave (1845), schreef Douglass zeven jaar na zijn vlucht. Met nog geen honderd pagina's is het de kortste en krachtigste van de drie autobiografieën en de invloed was vergelijkbaar met die van Beecher Stowes Negerhut van Oom Tom. Fris van de lever en in sobere maar trefzekere bewoordingen verhaalde Douglass over zijn gruwzame slaventijd, met de bedoeling de publieke opinie in het noorden te mobiliseren. In die tijd was Douglass de grote publiekstrekker in de anti-slavernijshow van William Lloyd Garrison. Tijdens protest-bijeenkomsten liet hij Douglass optreden als het levende bewijs dat negerslaven wel degelijk tot de menselijke soort behoorden. Douglass was een mulat met een aristocratische uitstraling, bovendien kon hij schrijven en spreken. Hij werd zelfs zo welbespraakt dat Garrison begon te vrezen voor zijn geloofwaardigheid als ex-slaaf. “Stick to slave anecdotes, and leave the thinking to others”, was het dringende advies aan Douglass die echter kort daarop met de paternalistische Garrison zou breken.

Douglass' tweede autobiografie, My Bondage and My Freedom (1855), verscheen kort na die breuk, en dit werk wordt dan ook wel opgevat als een soort persoonlijke onafhankelijkheidsverklaring. Ook dit boek werd een bestseller met vertalingen in het Frans en Duits. Toegevoegd is onder andere een hoofdstuk over zijn verblijf in Engeland waarheen hij was gevlucht om uit handen van slavenvangers te blijven. In Engeland werd hij door sympathisanten officieel vrijgekocht. Voor het overgrote deel bespreekt Douglass zaken die hij al in zijn eerste autobiografie behandelde, maar met meer detail en reflectie uitgewerkt en in een wat sentimenteler gestileerd proza. In het openingshoofdstuk stelt hij dat zijn leven “zonder begrijpelijk begin” was. Direct na zijn geboorte werd hij van zijn moeder gescheiden en voordat zij stierf zou hij haar nog maar een paar keer vluchtig zien. Van zijn vader wist hij dat deze blank of bijn blank geweest moest zijn en dat hij mogelijk zijn eigen meester was. Douglass kende zijn eigen geboortejaar niet; dit was zijn leven lang een obsessie. Volgens zijn laatste berekening moest het 1817 zijn, maar een historicus kwam onlangs uit op 1818. In volgende hoofdstukken bericht Douglass over zijn tewerkstelling op de scheepswerven in Baltimore en over de manier waarop hij in het geheim leerde lezen en schrijven waarmee hij een beslissende stap zette op weg naar vrijheid. Voor Douglass was 'slaaf zijn' vooral een kwestie van geesteshouding. “Wie zich het gemakkelijkst laat slaan, krijgt de meeste zweepslagen”. Deze vermaarde woorden zijn afkomstig uit de sleutelpassage waarin hij besluit terug te slaan als de 'nigger-breaker' Covey hem poogt af te ranselen. “De slaaf die de moed heeft in verzet te komen tegen zijn opzichter, hoewel hij eerst nog harde klappen kan krijgen, is eigenlijk al een vrij man, ook al is hij formeel nog slaaf.”

Zijn derde autobiografie, Life and Times of Frederick Douglass (1881; herziene editie 1893), is het succesverhaal van een inmiddels wereldberoemd man op leeftijd, die zichzelf voor 'zijn volk' ten voorbeeld stelt. Op een toon die door critici veelal als zelfgenoegzaam is aangemerkt, etaleert Douglass zich als een 'self-made man' die door hard werken omhoog gekomen is. Er zijn nieuwe hoofdstukken toegevoegd, onder andere over zijn actieve rol in de Burgeroorlog (zoals het organiseren van een regiment zwarte soldaten) en over zijn hoge ambtelijke functies (die tot zijn eigen frustratie vooral ceremonieel van aard waren). Tevens doet hij het verhaal van zijn slaventijd nog eens dunnetjes over. Het werk telde meer woorden dan de beide voorgaande autobiografieën samen, maar het vond nauwelijks kopers.

Volgens McFeely schreef Douglass zijn laatste autobiografie voornamelijk met het doel om de herinnering aan de slavernij levend te houden. Voor de blanken was de slavernij immers een afgedane zaak, terwijl het zwarte volksdeel het pijnlijke, smadelijke verleden zo snel mogelijk zou willen vergeten. Ter onderstreping van zijn boodschap voegde hij in de bijlagen een toespraak toe die hij op een herdenkingsbijeenkomst voor Lincoln had gehouden. Daarin plaatste hij een kritische noot bij de nogal idolate Lincolnverering door het zwarte volksdeel. Lincoln had vooral de blanke belangen behartigd en hij was behept met de racistische vooroordelen van zijn tijd, zo stelde Douglass. “Wij negers zijn slechts Lincolns stiefkinderen. Niet uit liefde geadopteerd, maar uit pure noodzaak en door de dwang der omstandigheden.”

De bekendste passage uit zijn laatste autobiografie is die waarin Douglass na negenendertig jaar zijn oude, bijna stervende meester Thomas Auld opzoekt. Huilend reiken zij elkaar de hand, waarbij Auld hem meedeelt dat hij, als hij indertijd in de positie van Douglass had verkeerd, ook zou zijn gevlucht en de slavernij eigenlijk altijd had verafschuwd. Waarop Douglass zich verontschuldigt dat hij in zijn eerdere geschriften de wreedheid van Auld nogal had aangedikt (onder meer door hem ervan te betichten dat hij Douglass' grootmoeder als een oud afgedankt paard in het bos had laten sterven). “I did not run from you, but from slavery”, aldus Douglass, die vervolgens grootmoedig verklaart dat ze beiden het slachtoffer van het slavensysteem waren geweest. Het degraderende en corrumperende effect van de slavernij op meester èn slaaf was overigens een gedachte die Douglass al in zijn tweede autobiografie ontwikkeld had.

Douglass stierf in 1895, enkele uren nadat hij op een conferentie voor vrouwenkiesrecht een toespraak had gehouden. Na zijn dood raakte hij in vergetelheid totdat hij in de jaren zestig werd ontdekt als 'de vader van de strijd voor gelijke burgerrechten'. Zijn autobiografieën werden herdrukt, zijn huis in Washington werd een nationaal monument, er kwam een postzegel met zijn portret en zijn beeltenis verscheen zelfs ook op de omslag van Life. In de zwarte gemeenschap werd hij geëerd als de voorman die de juiste balans vond tussen aanpassing en protest, tussen assimilatie en etnische trots.

Van extreem radicale zijde echter klonk de beschuldiging van 'bourgeois reformisme'. Douglass had de mythe van de 'American dream' gekoesterd, hij had zich ook niet afgezet tegen het Amerikaanse expansionisme. Ook werd hem verweten dat hij te weinig 'Afrocentrisch' zou zijn geweest. Niettemin, zo meent Gates, is Douglass de meest modebestendige zwarte held. Als schrijver introduceerde hij de autobiografie als middel tot zelfbevestiging en zelfexpressie van de in de Amerikaanse samenleving 'onzichtbare' neger. Geboren als slaaf, als niet meer dan een stuk handelsgoed zonder geboortedatum en zonder vader, “Douglass writes himself into being”, aldus Gates. Douglass' invloed blijkt uit de namen van degenen die in zijn voetspoor traden. Om er enigen te noemen: Booker T. Washington, W.E.B. Du Bois, James Weldon Johnson, Richard Wright, James Baldwin en Malcolm X.