Foute Britten

Adrian Weale: Renegades, Hitler's Englishmen 230 blz., Weidenfeld and Nicholson 1994, ƒ 65,65

Michael Bloch: Ribbentrop 528 blz., Bantam Press 1994, ƒ 39,45

Een betrekkelijk gering evenement in de Tweede Wereldoorlog vormde de desertie van Britten die zich in Duitse dienst begaven. Twee jaar geleden werden bepaalde Britse bronnen over dit onderwerp vrijgegeven. De Britse filosoof en krijgshistoricus Adrian Weale heeft er dankbaar gebruik van gemaakt.

Een typerend citaat uit zijn boek, Renegades, Hitler's Englishmen: “In de eerste week van januari 1945 bereikte het Britse Vrijkorps zijn topsterkte van 27 leden.” Het is een zin zonder echte ironie. Na jaren pogen waren de Duitsers niet verder gekomen bij het aantrekken van mannen, soms krijgsgevangenen, die in een al verloren oorlog als deserteurs bereid waren de wapens op te nemen tegen de Sovjetbondgenoten van hun vaderland.

Onder die marginale groep waren er slechts enkelen die meer dan enige bekendheid hebben verworven. De voornaamste Britse fascist was Oswald Ernald Mosley geweest. Ooit een veelbelovend politicus, zowel voor de Conservatieven als voor de Labourpartij, had hij in de vroege jaren dertig zijn eigen fascistische partijtje opgericht. Maar ver kwam hij nooit. Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog werd hij geïnterneerd en het is typerend dat hij in 1943 al werd losgelaten en uiteraard onder toezicht zijn huiselijk leven mocht opvatten. Zijn rol was al lang uitgespeeld.

Als gevaarlijker werd zijn oorspronkelijke partijgenoot William Joyce, in Amerika geboren met een Ierse vader, beoordeeld. Joyce, fervent antisemiet, kreeg in de oorlog als Lord Haw-Haw faam met zijn optreden voor de Duitse radiozenders gericht op Groot-Brittannië. Hij gold als de begaafdste propagandist voor de Duitsers en hij zou, evenals Max Blokzijl in Nederland, zijn radiopraatjes blijven maken tot het bittere einde. Op 28 mei 1945 werd Joyce in de buurt van Denemarken gearresteerd en een jaar later ter dood veroordeeld.

Laval

Wellicht kleurrijker dan Joyce was John Amery, zoon van een Engelse politicus, die het tot minister onder Churchill bracht. John Amery had in de Spaanse burgeroorlog gevochten en was in Frankrijk blijven hangen, waar hij bevriend was met een reeks politici uit het milieu van de marionet-premier Pierre Laval in Vichy. Hij wierp zich op als concurrent voor Joyce, maar had in Duitse ogen geen succes. Later ontwikkelde hij het idee een Brits legioen op te richten in de strijd tegen de bolsjewieken, maar ook daarin faalde hij. In april 1946 viel hij in handen van Italiaanse partizanen, nadat hij een week tevoren nog zijn idool Mussolini had gezien. Ook hij zou na de oorlog ter dood worden veroordeeld.

Joyce en Amery zijn eigenlijk de hoofdrolspelers in Weales boek. Naast hen waren er nog voormalige soldaten, die zich met veel moeite lieten werven om in Duitse dienst te gaan. Al met al hebben de Duitsers in dit opzicht buitengewoon weinig succes geboekt. Slechts enkelen meldden zich, vaak om uit de misère van gevangenkampen te ontsnappen. Het verhaal van het optreden van het Britse Vrijkorps, in de laatste oorlogsmaanden in de buurt van Berlijn gelegerd, heeft iets tragi-komisch, ook al omdat er tot het eind weinig sporen van fanatisme overbleven en de verschillende leden elkaar nauwelijks konden luchten of zien.

Weale is een zorgvuldig onderzoeker, die ook iets van de ambivalente verhouding tussen Engelsen en Duitsers laat zien. Bij sommige deserteurs heerst het gevoel dat Duitsland en Engeland elkaars natuurlijke bondgenoten zijn, zeker als het gaat om de strijd tegen de bolsjewieken, de goddeloze volgelingen van Stalins Sovjet-Unie.

Kosmopoliet

Wat dat betreft is het curieus om bepaalde passages te lezen van Michael Blochs tamelijk recente biografie van Hitlers voornaamste diplomatieke steun en toeverlaat Joachim Ribbentrop. Voor de nazi's was Ribbentrop, deels groot gebracht in Canada, een kosmopoliet. De wijnhandelaar schopte het onder andere tot Hitlers ambassadeur in Londen. Maar zijn optreden daar was bepaald geen succes. Anthony Eden, Churchills minister van buitenlandse zaken en in het midden van de jaren vijftig een ongelukkig premier, heeft Ribbentrops optreden gekarakteriseerd als dat van een handelsreiziger. “Zijn ideeën van staatsmanschap en diplomatie begonnen en eindigden daar. Het was zijn taak Hitlers Duitsland te verkopen, maar bovenal Hitler.”

De trouwe nazi Ribbentrop begreep weinig van de Britse politiek, toen hij in 1936 ambassadeur in Londen werd. Hij taxeerde de reactie van het Britse publiek op het optreden van koning Edward VIII volkomen verkeerd, veroorzaakte incidenten door aan het hof de Hitlergroet te brengen en zich vervolgens te verontschuldigen. Hij had helemaal niet de Hitlergroet willen brengen, maar was gestruikeld. Zijn contacten in Britse politieke kringen schatte hij niet op waarde en met de toen nog op de voorgrond tredende fascistenleideer Mosley lag hij voortdurend overhoop. Hitler liet hem buiten zijn contacten met belangrijke Britse ministers als Chamberlain en Lord Halifax.

Maar zijn onvoorwaardelijke trouw aan de Führer hield hem in het zadel. Binnen enkele maanden na zijn tamelijk smadelijke afgang uit Londen werd hij minister van buitenlandse zaken en anderhalf jaar later zou hij zijn grote kunststuk, het Ribbentrop-Molotov-pact, waarmee Hitler zich van rugdekking verzekerde in het begin van de Wereldoorlog, tot stand brengen.

Zijn laatste gesprek met Hitler, een week voor diens dood op 29 april 1945, leverde Ribbentrop zijn laatste curieuze opdracht op. Hij moest de Britse legerbevelhebbers in Noordwest-Duitsland voorstellen een Brits-Duits blok op te richten om zich tegen de bolsjewieken te keren. Toen hij op 14 juni 1945 op een onderduikadres door een Britse legereenheid werd gearresteerd, was hij nog druk bezig zijn voorstel op schrift te stellen.