Feeksen

Volgens de drie bedrogen minnaressen die zich met heilige toorn op hem kwamen wreken voor de indiscreties waaraan hij zich in zijn ministeriële memoires had schuldig gemaakt, was Alan Clark een liederlijke dirty old man, maar in hun royaal vergoede verontwaardiging hadden de dames er nauwelijks oog voor dat de auteur - Engels politicus, historicus en casanova - een van de markantste, vermakelijkste en leerrijkste politieke dagboeken sinds Harold Nicolson had geschreven. Dat ook de media Alan Clarks Diaries (Weidenfeld and Nicolson, London 1993, ƒ 65,55) maar bijzaak vonden en zich op de persoon van de onweerstaanbare rokkenjager stortten was niet zo vreemd, want de tegenpartij werd gevormd door een helgeblondeerd trio van een feeksige moeder en twee allerminst schuchtere dochters, die jarenlang gelijktijdig doch zonder het van elkaar te weten de liefde met de auteur hadden bedreven. Hoofdminnares (gedurende twaalf jaar) en onderminnaressen (twee jaar) werden in deze publieke actie aangevuurd door een beledigde echtgenoot, die was meegekomen om de eerrover er met de zweep van langs te geven. Wat dit provinciale drama een komische toon gaf was de geveinsde zedigheid van de echtgenoot (ex-Brit, sinds enige jaren rechter in Zuid-Afrika en ex-huisvriend van de auteur), die met een sullig gezicht verklaarde op te komen voor de eer van zijn vrouw en zijn twee dochters. In de Diaries (intussen ook als paperback verkrijgbaar) worden de drie vrouwen met gepaste terughoudendheid aangeduid, enkele keren alleen onder hun voornamen en een keer onder de verzamelnaam de coven (heksensamenkomst).

De kunstmatig opgewekte affaire - waarin het zondagsblad The News of the World als hoogste bieder het leed gauw kwam verzachten - dreigde de 66-jarige auteur eind vorige maand tot nationale pias te brandmerken, maar die liet zich niet van de wijs brengen. Hij verstrekte bij het hek van de oprijlaan naar zijn buiten onverstoorbaar een éénregelig communiqué waarin hij verklaarde nooit commentaar te geven op wat dames over hem zeiden. De zestien jaar jongere Mrs Clark deed in koelbloedigheid niet voor haar man onder. Even kort en superieur verklaarde ze: “Dat komt ervan als je slaapt met dames uit de mindere kringen.” De lezers van de memoires, die Clarks politieke besognes tussen '83 en '91 beschrijven, herkenden in die uitspraak de Upstairs Downstairs-sfeer waarvan het boek doortrokken is. Dat blijkt al uit de eerste pagina's waarin de dramatis personae die we verderop tegenkomen worden voorgesteld. Met de routine van iemand die het tot vervelens toe jaar in jaar uit voor de fiscus heeft moeten doen, somt Clark daar zijn activa op: een landgoed (Saltwood) met opstallen, een omvangrijk manor house (door kleinbehuisde buitenlandse toeristen veelal 'kasteel' genoemd), her en der verspreide cottages, een groot meer met een gezonde visstand, een Rolls-Royce Silver Ghost en nog tien auto's met drie vaste chauffeurs. Om de lezer te helpen de vele Alans en Johns en Alices in de memoires thuis te brengen is een namenlijst opgenomen die rubrieksgewijs is onderverdeeld in (1) familie, (2) staf, (3) huis- en (4) tuinpersoneel. Onder (3) worden twee butlers, twee gouvernantes, twee secretaresses en een huishoudster vermeld, onder (4) één tuinman. Waarschijnlijk is dit de hoofdtuinman, want in het boek duiken regelmatig verscheidene lagere hoveniers op, die met naam en toenaam worden genoemd.

De Member of Parliament voor Plymouth (Sutton) voert thuis in Devon een comfortabele staat en hij komt er rond voor uit niet onder zijn rijkdom gebukt te gaan. Dat heeft het voordeel dat hij vrij is van de verdenking uit geldzucht in de politiek te zijn gegaan. De politiek trok hem zo dat hij zich vermoedelijk ook kandidaat zou hebben gesteld als er geen bezoldiging tegenover zou hebben gestaan.

Politici van het type-Clark zijn in het tegenwoordige Groot-Brittannië schaars geworden, maar ze passen ook niet meer in de moderne Conservatieve partij, die van oudsher een reservaat van landjonkers en grootgrondbezitters is geweest. Op financiële onafhankelijkheid heeft de partij het niet meer begrepen, omdat ze politiek anarchisme in de hand werkt en dus een bedreiging voor de fractiediscipline is. Maar zonder Clarks anarchistische geest zouden we een belangwekkend politiek boek armer zijn. Zijn minachting voor partijdiscipline en departementale regels verschaft inzicht in de psychologie van de politicus (die begint als onderminister op het ministerie van werkgelegenheid en eindigt als minister van defensie) zo goed als in de territoriumdrift van de bureaucratische octopus die hem voortdurend het leven zuur maakt. Clark probeert zich vergeefs uit diens dodelijke omklemming te bevrijden en verliest zijn resterende energie aan een secretaresse die hem de godganse dag koeioneert, de les leest en in alles de baas is. Clark schrijft satirisch in de trant van zijn literaire favoriet Kingsley Amis. De beschrijving van zijn lichtelijk benevelde ministeriële debuut in het vragenuur van het Lagerhuis is rechtstreeks ontleend aan Amis' romanfiguur Lucky Jim.

Zijn ergernis over de bazige ambtenaren die hem eronder willen houden en hem proberen klein te krijgen met zijn seksuele chanteerbaarheid maakt hem zo balorig dat hij soms de onbedwingbare behoefte krijgt de boel op stelten te zetten. Als hij na de zoveelste aanvaring met zijn secretaresse op het balkon van zijn kamer in het ministerie stoom afblaast en denkt: 'Wat zou ons leven gemakkelijker zijn als ze mijn minnares was', voelt hij de neiging opkomen zijn blaas te ledigen op de hoofden van de voorbijgangers. Hij geeft zich over aan bizarre, Vredeling-achtige bespiegelingen waarin de onafhankelijke geest het uiteindelijk van de conformistische bureaucratie wint, zonder dat er een schandaal ontstaat.