'Eigenlijk ben ik te beperkt om een wielerploeg te leiden'

Morgen neemt FRANS MAASSEN deel aan het Nederlandse kampioenschap wielrennen. De 29-jarige Limburgse prof van WordPerfect is bezig zich te herstellen van een uiterst zwak begin van het seizoen. “Verdomme, ik kan toch nog wel een stuk fietsen?”

Aan het begin van het gesprek passeert Theo de Rooy die avond het tafeltje in de Zuidfranse hotelbar. “Je benen zien er goed uit, Frans”, zegt de ploegleider van concurrent Histor. Maassen strijkt even over zijn geschoren bruine knieën en kuiten, die prachtig afsteken tegen het lichtblauw van zijn shorts. Dan knikt hij. De Limburger straalt weer vertrouwen uit. Het heeft hem heel goed gedaan dat hij vorige week de Ronde van Luxemburg won. “Want ik was mijn moraal totaal kwijt”, legt hij uit. “Zo slecht als dit seizoen heb ik nog nooit gereden. Ik had het nog niet eerder beleefd dat ik helemaal niet mee kon doen. Daar heb ik echt wakker van gelegen. Verdomme, ik kan toch nog wel een stuk fietsen, dacht ik dan.”

Het teleurstellende optreden van Maassen en een aantal andere renners van WordPerfect heeft geleid tot woede-uitbarstingen van Jan Raas. De Zeeuwse chef d'equipe kan daarbij heel ver gaan. Het verhaal gaat dat toen de ontsnapte Maarten Ducrot eens een vluchtpoging wilde opgeven, Raas vanuit de volgauto zou hebben gebulderd: “Als je niet vóór blijft, ga ik vanavond met je vrouw naar bed.” Maassen wil niet vertellen wat hij allemaal te horen heeft gekregen. “Dat ga ik niet zeggen, want dat kan Raas niet hebben gemeend. Met name de dag vóór Parijs-Roubaix haalde hij stevig uit. Flinke kritiek had hij op Van Hooydonck, Nijdam en mij. Die was ook terecht. Ik had ook meer van mezelf verwacht. Ik kan Raas wel begrijpen. Hij staat machteloos. En hij is zo'n ontzettende winner en streber. Hij kan absoluut niet tegen zijn verlies.” Raas treedt niet alleen dit jaar zo op, herinnert Maassen zich. “Zo lang ik prof ben zijn er momenten geweest, dat hij tegen me uitpakte. En toch heeft hij me ieder jaar weer een nieuw contract aangeboden.”

Maassen zegt dat hij sinds zijn debuut als beroepsrenner, in 1986, altijd voor honderd procent voor zijn vak heeft geleefd. “Ik heb natuurlijk de druk dat ik goed verdien. Daarom wil ik me graag waarmaken, maar als het niet gaat, gaat het niet.” Hij zegt dat hij zichzelf grenzen heeft gesteld. “Geen polonaise aan mijn lijf. Ik weet niet of het daaraan ligt dat ik te weinig heb gepresteerd. Dit jaar heb ik méér getraind dan ooit, zeker tien procent. Ik hoor verhalen dat de Italianen, die Furlan bijvoorbeeld, het dubbele haalden. Volgens mij maakt dat allemaal niks uit. Je werkt naar een bepaalde piek toe, in april. Zit je dan aan je plafond, dan houdt het op. Als je dan het dubbele traint, wil dat niet zeggen dat je aan een nog hoger niveau komt. Wanneer ik zo veel als Furlan zou trainen, dan zou ik helemaal niet meer vooruit komen.”

Maar hoe moet hij “die vliegende Italianen” dan wel bijhouden? “Wat maakt het verschil? Ze zijn ontzettend professioneel met alles bezig. Je ziet dat er discipline is in die ploegen. Drie artsen bij een formatie. Die letten op voeding, op training. Maar er is in Italië ook veel veranderd. Toen ik begon was Saronni nog een vedette. Goed, hij was afgeschreven, maar in zijn team was hij nog altijd de grote man. Iedereen werkte voor hem, ook als hij slecht reed. Dat is helemaal niet meer zo. Nu mogen ook de tweederangs coureurs voor hun eigen kans rijden. In het verleden is het nooit opgevallen dat er in dat land zo veel goede renners zaten. Nu zijn ze bij Carrera ook blij als Poelnikov een rit wint. Vroeger kon dat gewoon niet, Moser en Saronni waren de goden, alleen zij mochten op het podium.”

Voor Maassen staat het ook vast dat de opleiding in Italië het beste is. “Nederlandse renners die naar de profs overkomen”, verduidelijkt hij, “weten vaak niks van training. Dan denk ik godverdomme: je bent topamateur of je bent het niet. Ik ben blij dat Piet Hoekstra nu bondscoach is. Die zorgt ervoor dat ze in ieder geval wel een opleiding krijgen. Weg met die amateurklassiekers in Nederland. Daar word je geen renner van. Ik ging altijd richting Luik, naar de cols. Daar kom je erachter wat wielrennen eigenlijk voorstelt.”

Het wielrennen is een keiharde wereld, zegt Maassen. In de periode dat het slecht ging had hij spijt ooit coureur te zijn geworden. “Ik heb dat zelfs vanaf het begin van mijn loopbaan betreurd. Voetbal ligt me veel nader aan het hart. Het lijkt me geweldig om in een vol stadion te spelen. Ik hou wel van sfeer en show. Bij fietsen zijn die er niet. Ik had nu misschien wel betaald voetbal kunnen spelen. Toen ik mijn licentie als amateur aanvroeg - ik was zeventien - belden net twee hoofdklassers of ik van Haelen bij hen wilde komen. Als jeugdspeler had ik eigenlijk eerder naar Fortuna of VVV moeten gaan. Wanneer ik met fietsen stop, ga ik weer het veld op.”

Maar de fiets heeft Maassen wel veel geld opgeleverd. “De eerste twee jaar ben ik misschien onderbetaald”, meent hij. “Daarna heb ik hele goeie contracten gehad, ook volgend jaar nog. Ik ben precies op het goede moment prof geworden, want in '87, '88 begon het wat het geld betreft allemaal te stijgen en '90 was het topjaar. Ik wil er hard voor werken, ik ben geen zakkenvuller. Vorig jaar kon ik naar Italië. Daar kon ik 30.000 gulden meer krijgen.”

Maar Maassen voelt zich hier gelukkig. “Ze klagen allemaal wel dat je in Nederland zo veel aan de fiscus betaalt, maar we hebben hier een aantal gunstige regelingen die ze in het buitenland weer niet hebben. Speciaal voor wielrenners. Zo is er een pensioenfonds, een geweldige regeling. Je ziet heel veel wielrenners, en ik heb begrepen ook voetballers, in een heel diep gat vallen na hun carrière. Ik heb dan nog het atheneum gehad. Maar wat moet ik in godsnaam gaan doen als ik stop met fietsen? Door dat overbruggingsfonds heb je ten minste een jaar of drie waarin je je kunt voorbereiden op een nieuw leven. Dat moet je niet uitvlakken. Neem nou Johan Neeskens of sommige andere voetballers. Als dat fonds er niet was geweest, dan waren ze nu gewoon bankroet. Dat is toch triestig. Ik ben jaren fan geweest van Johan van der Velde. Als ik nou die verhalen over hem lees, dan is dat toch zo triestig. Zo'n wereldrenner, en dan zo moeten eindigen. Ik blijf een zwak voor hem houden, maar het is heel triestig: waarom ga je een postzegelautomaat stelen of een grasmachine?”

De renner leunt achterover. Hij zucht diep, alsof hij het even niet meer ziet zitten. “Ik mag eigenlijk niet klagen. Ik heb veel vrienden met een goede opleiding en die verdienen misschien tweeduizend gulden in de maand. Goed, ik moet er veel voor doen. Sta onder druk. Neem het kopmanschap. Eigenlijk ben ik te beperkt om een ploeg te dragen. Faalangst, nee. Maar ik heb wel stress. Voor valpartijen en afdalingen bij slecht weer.” Maassen signaleert dat de top breder is geworden. Er zijn Russen, Polen, Slowaken bij gekomen. En dan het tempo. Laatst las ik een boekje, met daarin de vijf snelste en de vijf langzaamste Tours de France. Nou, aan de vijf snelste heb ik alle vijf meegedaan.”

Hij hoopt uiteraard op een goede Tour. “Ik zoek weer de juiste balans om te gaan presteren. Luxemburg gaf me toch weer vleugels. Ik luister daarbij niet naar Nederlanders, want die trekken elkaar omlaag. Dat doen ze ook met politici, kijk maar naar Lubbers en zijn strijd om de eerste man van Europa te worden. Of naar Breukink. Vorig jaar won hij vier etappekoersen, hij werd nationaal kampioen, zevende in de Ronde van Spanje en stond zesde op de wereldranglijst. Toch werd hij met de grond gelijk gemaakt.”

Volgens Maassen was ook hij al volledig door zijn supporters afgeschreven. “Ze zeiden iets van: fietst die Maassen nog? Mensen die er helemaal geen verstand van hebben. Die denken gewoon dat ik niks meer kan. Als je helemaal niet kan fietsen, dan word je nooit van z'n leven eenendertigste in de Ronde van Vlaanderen. De mensen beseffen niet wat dat inhoudt. Ik ben daar zo diep gegaan, heb er zo enorm afgezien. Je merkt wel dat er teleurstelling is, bij de mensen die je graag zien winnen. Maar na mijn zege in Luxemburg stond de telefoon roodgloeiend.” Iedereen wilde me ineens feliciteren. Hosannah en felle kritiek liggen dicht bij elkaar. Als ik in de Tour een superdag heb en nòg een keer uithaal, ben ik weer de man. Datzelfde geldt ook voor het Nederlands kampioenschap.”

Hij vertelt dat hij wil stoppen op zijn tweeëndertigste. “Ik heb het dan wel gezien. Alles, mijn vrouw, de familie, heeft dan een decennium lang in het teken van het fietsen gestaan. Mijn lichaam heeft dan veel geleden. Topwielrennen kan niet gezond zijn. Hinault won de Tour met een spuit. Ik heb na een val ook een keer zo'n pikuur gehad. Kan geen kwaad, zei de dokter. Ik wil voorzichtig zijn. Er zijn in onze sport veel jonge doden. Zeker vier of vijf mannen bij wie ik in een amateurploeg zat. Ik weet niet eens meer hoe ze allemaal heetten. Anquetil en Ocana? Ook vroeg overleden. Ocana stond niet echt bekend als de zuiverste. Ik denk wel dat het wielermilieu is verbeterd. Vitaminen geven ze nog steeds, daar kan ik wel inkomen. Maar doping? Ik zou niet weten wanneer ik doping moest pakken. Je moet toch naar de controles?”

Maassen denkt dat er veel minder wordt 'gepakt' dan vroeger. “EPO? Ik denk wel dat je met EPO kunt verbeteren. Maar niet zo veel dat ik in Milaan-Sanremo de strijd kan aanbinden met Furlan. Misschien dat je vijf procent zou kunnen vooruit gaan. Maar nooit vijftien procent. En het verschil tussen Furlan en mij was zeker vijftien porcent. Al zouden de Italianen EPO nemen, dan zou het nog niet doorslaggevend zijn. Nogmaals, in Italië wordt beter getraind, professioneler gewerkt. Dat zie je ook in andere sporten. In alle takken lopen ze voorop.”