D.H. Lawrence, de laatste Etrusk

Voor de Britse schrijver D.H. Lawrence (1885-1930) was Italië zijn tweede vaderland en om dicht in de buurt van de Etrusken te wonen huurde hij een villa bij Florence. In 1927 ondernam hij met zijn vriend Earl Brewster een reis door Etruskenland. Resultaat: 'Etruscan Places'. Een hartstochtelijk boek dat profetische uitspraken bevat.

D.H. Lawrence: Etruskisch testament

158 blz., Uitgeverij IJzer, Utrecht 1994, (Vertaling Frank Mommersteeg, Etruscan Places 1932), ƒ 29,90

In de jaren twintig wierp D.H. Lawrence zich, terwijl zijn levenskracht al begon te tanen, met wilde hartstocht in de armen van de Etrusken. Raakte hij betoverd door de mysterieuze sluier waarin het Etruskische volk zo lang gehuld is geweest, was het de levensvreugde die nog steeds voelbaar is in de beschilderde graftombes van Tarquinia?

Ongetwijfeld, maar dat niet alleen. De liefde van Lawrence voor de Etrusken werd evenzeer ingeblazen door ontgoocheling. De twintigste eeuw, dat gemechaniseerde tijdsgewricht, had volgens Lawrence de menselijke emotie gesmoord en elke oprisping van spontaniteit de kop ingedrukt. De mens had zijn heil gezocht in de psychologie, maar in de belangrijkste wetenschap, die van de levenskunst, was hij een leek geworden. En daarbij kwam nog de traumatische herinnering aan de Eerste Wereldoorlog die Lawrence, gedwongen verblijvend in het verstikkende Engeland, tot de rand van de waanzin had gebracht. Zijn laatste hoop op een betere wereld was tussen 1914 en 1918 onder een immense stapel doden begraven.

In de Etruskische beschaving projecteerde Lawrence een levensopvatting die volmaakt aansloot bij de zijne. Hij vond erin terug wat hij tijdens zijn rusteloze zwerftocht over de wereld tevergeefs had gezocht en wat vooral in zijn eigen land achter een muur van formalisme was weggedrukt: vitaliteit, ongekunsteldheid, verfijnde sensualiteit, tederheid. In zijn visie zogen de Etrusken het leven in zich op uit de onmetelijke vrije krachten van de wereld. Ja, voor hen was de hele kosmos een oneindig groot levend wezen, dat ademde en bewoog. Zonder zich te bekommeren om morele waarden aanvaardden zij het leven zoals het zich aandiende en waarin de vrouwen - voor de Romeinen een bewijs van grove onbetamelijkheid - op gelijke voet met de mannen aanlagen. Het was een vreugdevol bestaan, waarin “elke menselijke beweging iets sierlijks, iets dansends heeft” en waarin de seksualiteit, de oerkracht van het leven, nog niet door schaamte werd geremd.

En zoals in het twintigste-eeuwse Europa het natuurlijke levensgevoel werd overwoekerd door het domme verstand, zo was ruim twee millennia eerder in Italië een volk van levenskunstenaars vermalen onder de laarzen van een bot heersersvolk. Aldus smeedde Lawrence de Etrusken tot een volk van lichtvoetige dansers en fluitspelers dat door de puriteinse Romeinen werd onderdrukt en uitgeroeid. De Romeinen beroofden de Etrusken van hun ziel - veroveraars verafschuwen de luchtige klanken van de dubbele fluit.

In april 1927 maakte Lawrence, sinds een klein jaar met zijn vrouw Frieda woonachtig in Scandicci bij Florence, een reis door het oude Etrurië, het stamland van de Etrusken in Midden-Italië. Hij werd daarbij vergezeld door zijn vriend Earl Brewster, een rijke Amerikaan die zich - hij hanteerde het penseel niet onverdienstelijk - schilder noemde. Lawrence had de tocht zorgvuldig voorbereid. Hij had The Cities and Cemeteries of Etruria bestudeerd, het erudiete en levendige verslag van zijn landgenoot George Dennis, die tachtig jaar eerder langdurig door Etruskenland was getrokken. Hij had zich verdiept in Etruria Antica van de toonaangevende etruskoloog Pericle Ducati, uit Londen had hij diverse boeken over zijn favoriete onderwerp naar Italië laten zenden. De Duitse historicus Theodor Mommsen, kenner van de Romeinse oudheid, had hij er ook op nageslagen, maar dat had weinig leesplezier verschaft. Mommsen misgunde de Etrusken hun bestaan, dus bestonden ze voor hem niet. “De Pruis in hem werd geboeid door het Pruisische karakter van het Romeinse imperialisme.”

In Earl Brewster, wiens hang naar Oosterse mystiek in toom werd gehouden door een gezonde dosis scepticisme, vond Lawrence een begripvol reisgenoot en een intelligent klankbord. De twee ontmoetten elkaar volgens plan in Ravello, onder Napels, waar Brewster tijdelijk was neergestreken. Vandaar trokken zij naar Rome, waar zij het Villa Giulia Museum bezochten - en Lawrence zijn metgezel verbaasde door de geconcentreerde aandacht waarmee hij de Etruskische schatten bekeek. Van Rome ging het verder naar het noorden en al spoedig diende zich de eerste pleisterplaats aan: Cerveteri. Daarna volgden Tarquinia, Vulci en, een stuk noordelijker, Volterra. De pelgrimage door Lazio en Toscane nam zes dagen in beslag, waarbij de twee vrienden zich per trein, postauto, paard en wagen of lopend voortbewogen. Maar ook klauterend over gesteente of kruipend door struikgewas, op zoek naar Etruskische resten.

De beschrijving van de tocht verscheen in delen, van november 1927 tot mei 1928, in de bladen Travel en The World Today. Zij was bedoeld als schets voor een langere Etruskenstudie, maar daar is het door Lawrence's vroegtijdige dood, op 44-jarige leeftijd, nooit van gekomen. In 1932, twee jaar na zijn overlijden, werden de delen bewerkt, aaneengeklonken en als afgerond verhaal onder de titel Etruscan Places door Martin Secker in Londen uitgegeven. Als Etruskisch testament is daarvan kortgeleden een zeer goede maar soms iets te weinig vloeiende Nederlandse vertaling verschenen.

Etruscan Places is meer dan een reisverhaal volgens de beste Britse traditie. Het bevat bevlogen journalistieke beschouwingen, messcherpe psychologische observaties, sterk persoonlijke bespiegelingen en precieze beschrijvingen van de grafschilderingen waarbij Lawrence steun ondervond van Fritz Weeges Etruskische Malerei, dat zijn schoonmoeder hem meteen na zijn tocht uit Duitsland opstuurde. Het is, in het bijzonder voor wie de Etrusken een warm hart toedraagt, een meeslepend boek dat kan worden aangeduid als een droom van een schrijver die, met kennis gewapend, zich vooral door zijn gevoel laat leiden.

Etruscan Places mist elke wetenschappelijke pretentie. Want wat moet men met al die geleerde interpretaties van etruskologen die elkaar nog tegenspreken ook? Het komt hier aan op onbevangenheid en geloof in de eigen intuïtie. Niet het zoeken naar de waarheid, maar de overgave aan het wonder is het richtsnoer: de Etrusken zijn vooral een ervaring. Lawrence overdrijft bewust, is tegendraads, spreekt zichzelf soms tegen en schuwt de herhaling niet. Hij schreef het boek instinctief en direct, zoals de Etrusken leefden en zoals hij zelf wilde leven. Etruscan Places is zèlf een Etruskisch fresco.

Ook als men bedenkt dat het verslag al vóór zijn tocht gedeeltelijk in de steigers moet hebben gestaan en dat hij er de volgende maanden verder aan heeft gewerkt - tussen het herschrijven van Lady Chatterley's Lover door -, is het wonderbaarlijk wat Lawrence in die zes dagen aan materiaal bijeengaarde. Hij maakt ruzie met de douane in Civitavecchia, organiseert vervoer, koopt proviand, regelt een pension, gaat in elk stadje op zoek naar een gids, wandelt rondom stadswallen, duikt gewapend met een flakkerende kaars tientallen graftombes in waar soms trossen vleermuizen als grote slierten klimop neerhangen, houdt een lofzang op de affodil ('een bloem van een onbesuisde heerlijkheid'), ergert zich aan het bestaan van musea ('ik wens niet te worden geïnstrueerd'), windt zich erover op dat de belangrijkste Etruskische vondsten niet ter plaatse blijven, maar naar Rome of naar het buitenland worden overgebracht. Hij weerspreekt de grote etruskoloog Ducati, volgens wie de drie verweerde koppen boven de stadspoort van Volterra moeten worden opgevat als hoofden van verslagen vijanden, en van de askisten in het Volterraanse Guarnacci-museum kan hij zich maar moeilijk losrukken. “Ze geven je het aangename gevoel dat je nog in de bloei van je leven bent.”

Behalve die laatste zin verschaft het boek niets dat zou kunnen wijzen op verminderde vitaliteit. Ruim twee jaar eerder was bij Lawrence tuberculose geconstateerd. Hoewel hij die ziekte op eenvoudige wijze tegemoet trad - hij negeerde haar domweg - leidde de knagende gedachte dat zijn leven waarschijnlijk ten einde liep, tot intens verdriet dat zich uitte in woede en toenemend verzet tegen de ongevoelige wereld. Aannemelijk is ook dat de gedachte aan het naderende einde hem des te sterker naar de Etruskische graftombes trok, waar de overledene met zang en dans uitgeleide werd gedaan en de dood als een natuurlijke voortzetting van het uitbundige leven werd afgeschilderd.

De eerste zin van het boek zet de toon: “De Etrusken waren, zoals iedereen weet, het volk dat in vroeg-Romeinse tijden het midden van Italië bewoonde en dat door de Romeinen, met hun gebruikelijke opvatting over nabuurschap, geheel werd vernietigd om plaats te maken voor Rome met een zeer grote R.” Een visie die de schare gelovigen in de grootsheid van de Romeinse (en Griekse) oudheid in de ziel moet hebben getroffen, maar die tot de laatste bladzij met ijzeren gestrengheid wordt volgehouden.

De wetenschap haalde de schouders op over het boek, wegens het eigenzinnige oordeel van een niet-deskundige, en ook de literaire kritiek hield zich stil. Misschien kwam dat omdat Lawrence zijn theorie over de seksualiteit en over de mystiek van het fallisch bewustzijn over de rug van de Etrusken heen verkondigde. Mogelijk ook was Etruscan Places een te wanhopige zoektocht naar een ideaal in een ver verleden waarvoor het heden geen plaats meer bood, of klonk de apostolische toon er te snerpend in door. Het zijn overwegingen die in het niet vallen bij wat het boek te bieden heeft: een bijna onmenselijk inlevingsvermogen, geïnspireerde beschrijvingen van flora en fauna, van de voortdurende kleurwisselingen van het Italiaanse landschap, een heldere kijk op het Italië van de jaren twintig, eerbied voor het leven en liefde voor de eenvoudige Italiaan. Het meisje in Cerveteri dat hem in een tot café ingerichte grot een oneetbare maaltijd voorzet, de 14-jarige Albertino, het bedrijvige ventje dat in zijn eentje in Tarquinia pension Gentile drijft, Luigi, die als gids optreedt en pas opleeft in de Maremmen, de moerassige kuststreek waar de malaria nog steeds de scepter zwaait, de custode in het museum van Volterra die zich bedeesd verontschuldigt omdat hij weinig weet van de Etruskische schatten die hij bewaakt: hoe krachtig worden zij neergezet. Of de jongen in Cerveteri, die voor Lawrence en Brewster als gids optreedt. “Hij heeft rode ogen en een hand in het verband. Hij verloor een vinger bij een ongeluk met een trein een maand geleden. Hij is verlegen en mompelt wat in zichzelf, heeft geen innemend en opgewekt karakter, maar blijkt toch wel een geschikte kerel.” Zij zijn de representanten van het echte Italië dat in zijn levensritme veel meer Etruskisch dan Romeins is. “Het Etruskische element in Italië is als het gras op de velden en het ontkiemen van koren en dat zal altijd zo zijn.”

Lawrence was, zoals zijn vriend Aldous Huxley zou schrijven, een man “met een buitengewoon gevoel voor het leven dat in elk stukje materie verborgen ligt. Hij voelde de kwaliteit en de intensiteit ervan, zoals de roedeloper de hoeveelheid en de afstand voelt van het water of van het metaal dat zijn hazelaarstak doet uitslaan.”

En zo was het. De mijnwerkerszoon uit Nottinghamshire, blootlegger van de schijnheilige Britse samenleving, had een zeldzaam instinct voor wat echt en wat onecht was. Zonder mededogen hakt hij de jonge Duitse archeoloog, die Brewster en Lawrence in Tarquinia een tijdje vergezelt, finaal in mootjes. “Wat betekent deze leeuw met zijn tweede kop en nek, vraag ik de Duitser in de Tomba dei Tori (Graf van de stieren). Hij haalt zijn schouders op en zegt: 'Niets'. Het zegt hem niets, want buiten het ABC der feiten heeft niets voor hem enige betekenis. Hij is een wetenschapper. Wanneer hij niet wil dat iets zin heeft, dan heeft het ipso facto geen zin.” De ongelukkige wordt eenvoudig het verhaal uitgeschreven, nooit heeft iemand meer iets van hem vernomen.

In Volterra - Mussolini is in 1927 ruim vier jaar aan de macht - stuit Lawrence op een stoet zwarthemden, die na de benoeming van een nieuwe, fascistische burgemeester feestvierend door de middeleeuwse straten trekt. Als een paar brutale meisjes hem met gestrekte arm begroeten, weigert hij de groet te beantwoorden: die was immers - droger kan niet - “niet voor mij persoonlijk bedoeld”. Lawrence haatte de wetenschap met haar pedanterie en haar schijnzekerheden, hij had een lichamelijke afkeer van dictatuur, die zich bediende van gebral, knuppel en wonderolie. Onderhuids bevat Etruscan Places een dodelijke kritiek op elk systeem dat het individu onderdrukt en op het fascisme in het bijzonder. Mussolini was voor Lawrence de vertegenwoordiger van de onpersoonlijke macht, van een systeem dat in vroeger tijden een Caligula en een Nero had voortgebracht, aldus Anthony Burgess in Flame Into Being, zijn scherpzinnige maar nogal van zichzelf vervulde Lawrence-biografie (276 blz., Arbor House 1985, ƒ 35.-).

Maar het interessantst van Etruscan Places is dat de schrijver over een visionaire blik blijkt te hebben beschikt en dat die pedante wetenschap, die de visie van Lawrence wat meewarig als 'romantisch' afdeed, hem later in enkele gevallen gelijk heeft moeten geven. Toen de grootste estruskoloog van deze eeuw, Massimo Pallottino, de nadruk legde op de verscheidenheid van de Etruskische wereld en pleitte voor een geschiedschrijving van de afzonderlijke Etruskische steden, klonk duidelijk de echo door van wat Lawrence enkele decennia eerder in zijn woede tegen het bestaan van musea schreef: Musea proberen systematisch te ordenen wat zich niet láát ordenen. Waarom moeten zelfs de Etrusken tot een systeem worden gereduceerd? Zij pàssen niet in een keurslijf. “Als je een amalgaam probeert te maken van Cerveteri, Tarquinia, Vulci, Vetulonia, Volterra, Chiusi en Veji, zal het resultaat niet wezenlijker Etruskisch zijn, maar een opgewarmd mengsel dat geen enkele vitale betekenis meer heeft.” Daarvóór had hij al opgemerkt dat voor een beter begrip van het pre-Romeinse verleden, “we het concept van eenheid en uniformiteit moeten laten varen - en de eindeloze complexiteit van verschillen accepteren”.

Als Lawrence aan de oever van de Tyrrheense Zee mijmert over het pre-Romeinse Italië, stelt hij zich de vraag naar de herkomst van de Etrusken. Kwamen ze uit Lydië in het westen van Klein-Azië, lag hun oorsprong in het noorden of hebben ze altijd in Etrurië gewoond? Het lijkt hem sterk dat in die dichte nevels van de geschiedenis een heel volk in kleine strakbespannen schepen de Middellandse Zee overvoer om zich in het dun bevolkte Midden-Italië te vestigen. En dan, zijn bespiegeling afrondend: “De opkomst van Etrurië was een proces dat eeuwen duurde. Etrurië was geen kolonie, het was een land dat zich geleidelijk ontwikkelde.” Dat nu lijkt verdacht veel op wat diezelfde Pallottino, om in één klap een einde te maken aan de langdurige wetenschappelijke onenigheid over de Etruskische herkomst, tientallen jaren later zou schrijven: Laten we de strijdbijl binnen de etruskologie begraven; in ieder geval kan nu “met zekerheid worden geconstateerd dat het formatieproces van de Etrusken alleen maar in Etrurië zelf kan hebben plaatsgehad”. Lawrence voelde de Etrusken in zijn plexus solaris, postuum leverde hij het bewijs dat gevoel en hartstocht het verstand kunnen overvleugelen. Zijn hazelaarstak reikte soms ver voorbij het ABC der feiten, zoals ook uit een volgend artikel zal blijken.