De dood slaat toe maar niet fataal in glansloze komedie over incest en prostitutie

Voorstelling: Pericles van William Shakespeare door Amphitheater i.s.m. Stichting Turista. Vertaling: Gerrit Komrij; regie: Bob Ruijzendaal; muziek: Malik Dia, e.a. spel: Ronald de Bruin, Kathenka Woudenberg e.a. Gezien: 22/6 Amphi theater Amsterdam. Aldaar t/m 2/7.

Drie rijen dik hangen de kartonnen skeletten boven de speelvloer. Het beeld is duidelijk: de dood kan ieder moment toeslaan in Pericles. Dat doet hij dan ook, zij het dat zijn klappen meestal niet fataal zijn zoals de achterblijvers, vaak pas na jaren, tot hun niet geringe verrassing ontdekken. Er wordt dan ook veel kostbare tijd verspild met treuren om doodgewaande geliefden en verwanten, maar de uiteindelijke wonderbaarlijke hereniging doet het leed spoedig vergeten.

Dat Pericles, een komedie uit Shakespeares late periode, een weinig gespeeld stuk is zal deels te wijten zijn aan het voortdurende gegoochel met tijd en plaats (“We spotten weer met afstand en met tijd”, schampert het koor) waar een regisseur op het toneel moeilijk mee uit de voeten kan. Maar ook de behandeling van onderwerpen als incest, jeugdprostitutie en Pericles' verlangen naar de dood - thema's die in een komedie niet zo voor de hand liggen - zullen het stuk niet populair gemaakt hebben.

Toch heeft regisseur Bob Ruijzendaal nu gezocht naar een vorm die opvoering van de tekst moet rechtvaardigen. Zijn bij het Amphitheater uitgebrachte produktie - de laatste die de theaterwerkplaats dit seizoen op het programma heeft staan - laat zien dat hij zich daarbij vooral heeft geconcentreerd op de voortdurende omschakeling in het spel van melodrama naar luchtige ironie en vice versa.

De enscenering oogt sober. De sfeer wordt bepaald door vijf spelers en vier jazz-, salsa- en funkmuzikanten die continu op de vloer aanwezig zijn en de voorstelling op een speelse manier muzikaal ondersteunen.

Links vooraan zit de zesde speler die zich, met het manuscript en een glas wijn voor zich op een tafeltje, voordoet als de regisseur van de voorstelling en zich bovendien opwerpt als verteller. Hoewel hij in beide hoedanigheden geen grote indruk op mij maakte drukt hij toch een stempel op het geheel. De aanwezigheid van een regisseur suggereert immers dat we kijken naar een voorstelling in wording, een niet definitieve versie van het stuk, hetgeen de losse ongedwongen toon van deze produktie zou kunnen verklaren.

De andere verklaring ligt in het spel dat zoals gezegd heen en weer schiet tussen lichtzinnigheid en grote emoties. Vooral de titelfiguur heeft te kampen met sterk wisselende stemmingen. Zo toont Ronald de Bruin zich het ene moment een charmeur en levensgenieter terwijl hij even later wegzinkt in diepe melancholie als hij na de zoveelste rampzalig verlopen zeereis als een stuk vuil op onbekende kust aanspoelt.

Hij en Kathenka Woudenberg trekken de andere acteurs (die evenals Woudenberg voortdurend van rol wisselen) mee. Dat is vooral te merken op momenten dat De Bruin en Woudenberg niet meespelen: hun poses krijgen iets stijfjes en de tekst klinkt plichtmatig. Wat overblijft is spel zonder veel glans.